vrijdag 14 mei 2021

The Dutch



Na de Tweede Wereldoorlog werd de revival van de classic jazz in verschillende Europese landen in gang gezet door de oprichting van vele revival jazzbands. Door de oorlog was de ontwikkeling van jazzmuziek tot stilstand gekomen. In Nederland waren de Ramblers al in de twintiger jaren begonnen naar voorbeeld van Amerikaanse bands, waarvan de grammofoonplaten ook in Nederland verkrijgbaar waren. Naast de Ramblers waren veel bands tot aan het uitbreken van de oorlog actief in clubs, danszalen, restaurants en op festivals. In het tijdschrift De Jazzwereld waren deze ontwikkelingen goed te volgen. In Amerika was classic jazz, zoals het in de twintiger jaren was ontstaan, wat verder naar de achtergrond geraakt. Grotere orkesten, ondersteund door de radio, maakten hoofdzakelijk commerciële dansmuziek; een ontwikkeling waaraan vele, vaak goed opgeleide, beroepsmuzikanten om financiële reden deelnamen. De jazz, dat wil zeggen de geïmproviseerde muziek, sloeg een nieuwe vrijere richting in: de bebop. Daarnaast werd er vooral in studentenkringen terug gegrepen naar de basis, terug naar het begin. Een aanstekelijke, ontspannen vorm van muziek, zoals die in de twintiger jaren werd gespeeld en jazz (jass) werd genoemd. De revival was begonnen, ook in Nederland.

Amateurmusici, zoals  Peter Schilperoort, Frans Vink, Joost van Os, Joop Schrier, Eddie Hamm en andere jonge jazzbeoefenaars waren goed op de hoogte van wat er in Amerika gebeurde. Klarinettist Peter Schilperoort had begin 1945 al een kwartet met drummer Tony Nüsser, pianist Frans Vink en bassist Henny Frowein dat speelde in de stijl van Benny Goodman. Het wachten was op de bevrijding. Er was al een afspraak om zo gauw die een feit was in het openbaar te gaan optreden in restaurant  St. Regis in Den Haag. Op 5 mei 1945 was het zover. Daarna volgden talrijke optredens voor de Canadese en Binnenlandse Strijdkrachten. Het kwartet werd uitgebreid met trompetist Joost van Os, trombonist Bill Brant en gitarist Otto Gobius. Al snel kreeg de band bekendheid onder de naam: Orchestra of The Dutch Swing College. De naam College was doelbewust gekozen, omdat men onderricht wilde geven over jazzmuziek via grammofoonplaten, lezingen, radio uitzendingen en concerten. De stijl van de band was enerzijds gericht op de composities van Duke Ellington, anderzijds op die van de Chigago bands. De band speelde ook voor Radio Herrijzend Nederland. De vaderlandse pers begon steeds meer belangstelling te tonen. Pianist Frans Vink verliet de band, omdat hij zich helemaal op de fotografie wilde toeleggen. Met diens vertrek verdween ook de Ellington-invloed uit het Swing College. Vink werd opgevolgd door pianist Joop Schrier en Peter Schilperoort was nu alleen aan de leiding. Wie was Peter Schilperoort? 

Peter werd geboren in Den Haag op 4 november 1919 en kreeg eerst pianoles, maar leerde zichzelf later verscheidene andere instrumenten te bespelen. Toen hij zestien was werd hij opgenomen als gitarist in de band van de Dalton-HBS in Den Haag, de school waar zijn vader directeur van was. Peter kocht voor 17,50  gulden een klarinet in een muziekwinkel en leerde spelen van de klarinettist uit de schoolband. Na de MTS in Haarlem kwam hij in 1938 via gitarist Otto Gobius in contact met de Haagse band The  Bouncers en een jaar later met de Swing Papa's, een semi-professioneel orkest, dat in de Chicago stijl speelde en nationale faam genoot. Schilperoort maakt zijn eerste plaatopnamen met deze band. In de oorlog nam de belangstelling voor de Papa's af;  Jazz was door de Kultuurkamer niet toegestaan en Schilperoort nam zijn toevlucht tot hawaii muziek ensembles. In 1941 was hij begonnen aan een studie werktuigbouwkunde aan de TH in Delft. In 1943 weigerde hij de door de Duitsers verplichte loyaliteitsverklaring te ondertekenen, waardoor hij zijn studie moest onderbreken. Hij werd beroepsmuzikant in het orkest van Klaas van Beek. Met huisgenoot Frans Vink werden plannen gemaakt voor een jazzinstituut  na de oorlog. Schilperoort moest de laatste maanden van de oorlog van alles aanpakken om in zijn levensonderhoud te voorzien. Naast zijn baan als beroepsklarinettist gaf hij klarinetles en werkte hij onder meer in de Haagse Centrale Keuken. 

Onder leiding van Peter Schilperoort ontwikkelde de band zich snel. Een half jaar lang kon er worden gespeeld in de Canada Club in Apeldoorn. Het eerder geselecteerde repertoire kon in praktijk worden gebracht. In 1946 nam de band deel aan het Internationaal Jazz Concours in het Panthéon Theater in Brussel, georganiseerd door de Hot Club Belgique. The Orchestra of the Dutch Swing College won vijf verschillende prijzen waaronder beste orkest, beste solist en beste klarinettist van het hele concours.                 (P. Schilperoort). In 1947 hoorde Peter het Franse orkest van Claude Luter dat duidelijk de richting van de authentieke New Orleans stijl had gekozen. Daarop besloot Schilperoort dat voorbeeld te volgen. Goed ingestudeerde collectieven, afgewisseld door vrije soli, werden kenmerkend voor de stijl van Schilperoort's Dutch Swing College Band. De DSC kreeg vaste engagementen voor de AVRO radio en de eerste uitzending voor de Wereldomroep werd een groot succes. In 1948 werden de eerste opnamen voor het Decca platenlabel gemaakt.  Het jazzinstituut dat Schilperoort in het begin voor ogen stond, raakte op de achtergrond. De band, met dezelfde naam, oogstte daarintegen steeds meer successen. Er werden tournees gemaakt naar  Engeland en België. In Engeland werden opnieuw plaatopnamen gemaakt en  bekende solisten als Sidney Bechet, Hot Lips Page, Albert Nicholas en Nelson Williams traden op met de band. In 1952 werd de zevende verjaardag van de DSC band gevierd met het eerste live-optreden van een Nederlands jazzorkest op televisie.

Formeel had de band nog steeds de amateurstatus. De meeste leden studeerden nog. Ook Schilperoort pakte in 1953 zijn studie werktuigbouwkunde weer op en behaalde in 1956 zijn ingenieursdiploma. Ondertussen trad hij in dienst van Fokker om in 1959 weer zijn ontslag te nemen. De routine van een  achturige werkdag beviel hem niet, ondanks zijn fascinatie voor de luchtvaart. Hij ging zich bezighouden met fotografie en zeilen en viel als freelance muzikant ook in bij de DSC band, die ondertussen was doorgegaan onder leiding van pianist Joop Schrier. Toen deze voorstelde om van de DSC band een beroepsorkest te maken en zo te profiteren van de dixielandstorm  (I scream, you scream, we all scream for Ice Cream) die vanuit Engeland kwam overwaaien, was Schilperoort graag bereid om de leiding van de band weer over te nemen. De bezetting bestond nu naast Peter Schilperoort uit beroepsmusici (Oscar Klein-cornet, Dick Kaart-trombone, Jan Morks-klarinet, Arie Ligthart- banjo, Bob van Oven-bas en Martin Beenen-slagwerk). Een gouden tijd brak aan. Naast de bekende Europese podia volgen tournees naar alle werelddelen. In 1963 weigerde de band een Edison in de categorie 'Instrumentaal', omdat het in de categorie 'Nederlandse Jazz' had moeten zijn. Veel fans uit de trouwe DSC aanhang hadden respect voor dit standpunt. Tussen 1963 en 1967 was de DSC band het huisorkest op radio Veronica. Gastsolisten Billy Butterfield, Jimmy Witherspoon, Teddy Wilson en accordionist Johnny Meyer leverden met de band uitstekende muzikale prestaties. Na de breuk met Philips keert het tij. De band bracht een eigen platenlabel uit, dat mislukte door de voortdurende distributieproblemen. DSC platen waren niet voldoende verkrijgbaar in de platenzaken. Schilperoort had verkeerde adviezen opgevolgd. In 1968 verlieten Oscar Klein, Martin Beenen en Jan Morks het orkest. Het was een publiek geheim dat de karakters van Morks en Schilperoort teveel botsten. Schilperoort was een man van tegenstellingen, een perfectionist als het om muziek ging maar lastig in de omgang. Voor zijn omgeving was het niet altijd makkelijk om met hem op te trekken. Klarinettist Bob Kaper volgde Jan Morks op. Schilperoort kreeg problemen met zijn gezondheid, eerst met de spieraanhechtingen aan zijn vingers, later met een virusaandoening. In het midden van de jaren tachtig stopte hij met spelen en verliet hij de DSC band. Zijn rol werd overgenomen door Bob Kaper, die een verjonging in de bezetting realiseerde en een wat minder authentieke stijl hanteerde. In 1990 overleed Peter Schilperoort. In  het jaar 2000 stelde Bob Kaper een geheel nieuwe band samen, die uitgroeide tot een een achtmans bezetting, zoals die in de vijftiger jaren was begonnen. Het werd geen kopie, maar een wat gladdere mainstream stijl om te trachten een groter publiek te bereiken.

De laatste jaren werd het steeds moeilijker om als traditionele jazzmuzikant aan de kost te komen. De doelgroep werd steeds kleiner en vergrijsde sterk. Het aantal jazzclubs en jazzfestivals nam steeds af en de media schonken nauwelijks of geen aandacht aan deze muzieksoort. Classsic jazz is special interest muziek geworden, maar de Dutch Swing College Band bestaat nog steeds! De bezetting is teruggebracht tot zes topmusici, klarinettist Bob Kaper nam in mei 2020 afscheid. De rest (Kees Jan Hoogeboom op trompet, David Lukacs op klarinet, Andy Bruce op trombone, Peter Kanters op gitaar, Adri Braat op bas en Anton Burger als slagwerker) zet de traditie voort als de langst bestaande professionele oude stijl  jazzband ter wereld, met nog steeds een trouwe groep volgelingen sinds 1945. Dutch Swing College, nog veel succes in de toekomst !


                                                


 








 

donderdag 1 april 2021

ANDOR


Het moet eind 1978 geweest zijn toen ik een uitnodiging kreeg om als trombonist te komen spelen in Andor's Jazzband, een negenmans formatie met een repertoire van 'small bigband jazz from the twenties' zoals aangeduid op het visitekaartje van de band. Andor Lukacs maakte in die tijd deel uit van een groep Amsterdamse oude stijl jazzliefhebbers die op zondagavond in de Blokhut bij elkaar kwamen om muziek te maken (zie Tante Alie blog 12-2-2019) Hij speelde eerst als banjoïst bij de Bixieland Stompers, maar toen dat stopte en hij was verhuisd naar Breda, kreeg hij het idee om met een selectie uit de Blokhut en de Roaring Twenties Club Breda een nieuwe band samen te stellen. In het begin was er alleen sprake van een gelegenheidsformatie, waarmee in de RTCB Club in Breda op 14 april 1979 voor het eerst werd opgetreden. Etienne Francois, Leo Sluimers, Hans Kip en Herman Openneer waren er toen al direct bij. Andor was de bandleider. Hij bepaalde de definitieve bezetting, het repertoire, organiseerde de optredens en onderhield de contacten met de clubs. Er werd nog niet gewerkt met uitgeschreven partijen, alleen de volgorde van de collectieven en de solo's werden proefondervindelijk vastgesteld. De eerste drie jaar werd er alleen in Nederlandse jazzclubs en festivals gespeeld en met een min of meer vaste bezetting. In 1983 werd het pas echt serieus, nadat er uitnodiging  kwam voor een optreden in de Cotton Club in Hamburg. Plotseling moest er van alles worden geregeld. Vervoer, overnachtingen, maaltijden, speellijsten, promotiemateriaal, brieven en contracten in vreemde talen, financiën en last but not least de bandbezetting. Was de vaste negen mans bezetting wel zo vast als het leek? Was iedereen wel in de gelegenheid om zomaar een aantal dagen naar het buitenland te vertrekken? Etienne Francois was meteen al verhinderd en werd vervangen door Ad Houtepen uit Breda. Na een afspraak ergens in midden Nederland, werd er met twee auto's in sneltreinvaart koers gezet naar Hamburg. Daar inchecken in Hotel Adria Hof, snel wat eten en door naar de Cotton Club. Daar werd de band als volgt aangekondigd:
"Heute abend spielt für Sie Andor's Jazzband  mit viel Spass wunderschönen Hot Dance und Jazz. Musik aus den Jahren 1922-1929, bekannten und schon vergessen Melodien aus nostalgischen schellack Zeiten."


De Duitsers vonden het prachtig. Auf Wiedersehen! Dat gebeurde dan ook Op zaterdag 5 januari 1984 was de band terug in Hamburg met op de zondagmorgen daarna een  Frühschoppen concert in de Buchholzer Schützenhalle. Het kwam er eigenlijk op neer dat de amateur status moest worden omgezet naar een semi- professionele status.Ging dat wel met gezin, werk en het spelen in andere orkesten? Andor kreeg veel te regelen. Je zou denken dat hij een aantal taken aan andere bandleden zou willen overlaten. Delegeren? Dat stond niet in zijn woordenboek. Hij wierp zich, naast de muzikale taken, met al zijn energie op alle andere aspecten van het runnen van een jazzband, die op het punt stond Europa te veroveren. In datzelfde jaar werd in clubs en festivals 23 keer in Nederland opgetreden. Andor ging ondertussen door met het leggen van contacten. Vooral in Midden- en Oost- Europa, waar hij via zijn werkgever Unilever relaties had,  wierpen die contacten, ook voor de band, vruchten af. In een interview in de Jazz Pocket van april 1984, het huisorgaan van de Haarlemse Jazzclub, zei hij daar zelf het volgende over:

"Wie in de jaren 1960-1975 oude stijl jazz wilde spelen kon op zondagavond terecht in de Amsterdamse Blokhut waar oud en jong talent tijdens jam sessions verwoed hot jazz probeerde te spelen met redelijk tot dikwijls prima resultaat. Een hele Amsterdamse generatie jazzmuzikanten heeft daar levendige en onuitwisbare herinneringen aan. In 1978 bracht ik een groep ervaren oude makkers bij elkaar om op dezelfde ongecompliceerde Blokhut manier classic jazz te maken. Omdat ik van tevoren wist dat er van repeteren niet al te veel terecht zou komen, moest de bezetting bestaan uit zeer ervaren muzikanten, die in staat waren goed naar elkaar te luisteren en bekend waren met een uitgebreid twintiger jaren repertoire, dat ze zonder veel moeite konden spelen. Zo ontstond er een 9-mans orkest met twee kornetten, een trombone, twee saxen, piano, banjo, sousafoon en banjo. Etienne Francois (kornet en viool) was jarenlang leider van de bekende Animal Crackers. Leo Sluimers -kornet, onder andere lid van de Victoria Band, Hans Kip - trombone, lid van de Training College Jazzband en leider van de Pink Elephants. Remco van der Gugten - sopraan en tenorsax, was 10 jaar leider van de Limehouse Jazzband, Ruud Ditmarsch -klarinet en tenorsax, lid van de Western Jazz Group en de Limehouse Jazzband. Herman Openneer, Nederlands bekendste wasbordspeler, lid van de Animal  Crackers en Pink Elephants,  Tom Stuip -banjo, lid van onder andere de Dixie Machine en The Down Town Jazz Band. Eric de Jong -sousafoon en bas sax was voormalig lid van de Animal Crackers en Limehouse Jazzband en ik piano met ervaring in vele Amsterdamse formaties. Het repertoire gaat van Jean Goldkette's Orchestra en The Coon Sanders Orchestra naar Mc Kinney's Cottton Pickers en The Duke Ellington Orchestra, maar ook vaudeville shownummers, zoals The Man I Love, spelen we graag." aldus Andor in 1984.


In Januari 1985 was de Jazzclub Hannover aan de beurt, gevolgd door Buchholzer Schützenhalle en de Hannover Jazztage aan het eind van dat jaar. Het jaar daarop was druk: naast alle optredens in Nederland, werd er gespeeld in Praag, Bratislava, Wenen, Hannover, Stuttgard, Luzern, en Dreieichhain/Frankfurt. De zomer trip (met partners) naar Praag was bijzonder, omdat in het toenmalige communistische Tsjecho- Slowakije jazzmuziek door het regiem slechts oogluikend en gecontroleerd werd toegestaan. De stad hing vol met rode spandoeken met teksten van de communistische partij. De band repeteerde min of meer illegaal in het conservatorium, werkte mee aan een radio-uitzending en nam deel aan een festival. Het vervoer ging met een oude stadsbus, georganiseerd door bevriende Tsjechische collega muzikanten. In Wenen trad de band op in Jazzland, dé jazzclub van Wenen en in een groot warenhuis op de derde etage, tussen de japonnetjes. Dit alles onder de bezielende leiding van Andor, die iedereen in zijn eigen taal te woord stond en het allemaal vooraf vanuit Nederland had georganiseerd. Ook 1987 was een druk buitenlands jaar. Opnieuw optredens in Wenen, Bratislava, Biel in Zwitserland, Karlsruhe en Hannover. De bezetting van de band was hetzelfde gebleven. 
In 1988 veranderde dat door het plotseling overlijden van kornettist/violist Etienne Francois. Andor moest op zoek naar een nieuwe melodie man naast Leo Sluimers, die in de frontline altijd prima had samengewerkt met Etienne en die goede vrienden waren geworden. Het werd Ad Houtepen uit Breda, een ervaren kornettist/saxofonist uit de Victoria Band. Ad had ook ervaring met het schrijven van arrangementen; een talent waar Andor in de toekomst steeds meer gebruik van wilde maken om compacter te kunnen spelen, om het repertoire voor lezende invallers direct toegankelijk te maken en om de saxofoongroep met een extra saxofonist uit te breiden. Daar kwam bij dat Andor, alhoewel een redelijke pianist, niet de kennis bezat om nummers te arrangeren. Ad kon dat wel. Door zijn  komst veranderde een aspect van de organisatie, want Ad was werkzaam in het onderwijs en daardoor niet altijd beschikbaar. Andor loste dat op door meerdaagse optredens in het buitenland te plannen in de schoolvakanties. De andere bandleden stelden zich over het algemeen flexibel op ten aanzien van de geplande data voor optredens.Toch kwam het voor dat er vervangers moesten worden gezocht. Andor was daar nooit blij mee, maar door zoveel mogelijk vaste vervangers in te schakelen, konden die problemen meestal worden opgelost,  zonder de kwaliteit van de band aan te tasten. Echter, alleen nog in schoolvakanties op tournee te gaan, veroorzaakte bij sommigen problemen aan het thuisfront. Familiebelangen kwamen in het geding. Wat was belangrijker? Een familie tripje in de schoolvakantie met vrouw en kinderen naar de Ardennen? Of een optreden met de band 2000 kilometer verderop in Wenen? Voor Andor was die keuze niet moeilijk. Hij eiste onvoorwaardelijke aanpassing aan zijn planning en verloor daarbij uit het oog dat de bandleden omhoog gevallen amateurs waren en geen fulltime profs.
In november 1988 nam de band deel aan het Göttinger Jazz Festival: 
 'Unter der Leitung des Pianisten Andor Lukacs spielen neun bekannte und erfahrene Musiker der Niederländischen Oldtime Jazz Szene anspruchsvollen, swingenden und fröhlichen Hot Dance und Jazz Music,' aldus het programmaboekje van het festival.  
                                                                                                                                                                   Na weer een paar dagen van huis en een duizendtal gevaarlijke snelwegkilometers, vond ik dat het mooi geweest was. Begin 1989 deelde ik Andor mee na tien jaar te willen stoppen. Ik stelde voor dat mijn vaste vervanger, Victor Bronsgeest, mijn plaats zou innemen. Dat lukte meteen, omdat Victor graag wilde en Andor, zoals een goede bandleider betaamt, de continuïteit van de band voorop stelde. De jaren daarna kende de band vele wisselingen in de bezetting. Na 2010 werd het steeds moeilijker om optredens te krijgen voor een band van negen man. Financieel kwam de zaak vaak niet rond, de aandacht voor classic jazz nam eerder af dan toe en de leeftijd ging tellen. Hij had er 34 jaar op zitten als regelneef, presentator, reisleider, chauffeur en pianist en trok zich in het najaar van 2012 terug uit zijn orkest. De band zelf bleef, tot op vandaag de dag, bestaan ( zie de website) Niemand van de oorspronkelijke basisbezetting was toen nog lid van de band. Andor heeft al die jaren op eigenzinnige wijze geprobeerd classis jazz  en de band op een artistiek zo hoog mogelijk peil te houden. Hij overleed op 20 december 2020 op 81-jarige leeftijd.Persoonlijk heb ik 10 jaar deel uitgemaakt van de band, veel mooie muziek gemaakt en veel plezier gehad. Dank je Andor, het was zeer de moeite waard.

 Bronnen:
-Interviews met Victor Bronsgeest en Leo Sluimers
- Archief Hans Kip
.

       
  
 








zaterdag 13 maart 2021

Een eerbetoon aan Chris Barber

Afgelopen 2 maart is trombonist Chris Barber op 90-jarige leeftijd rustig in zijn slaap overleden.  Zijn band was voor vele beginnende Nederlandse dixielandbands een voorbeeld. Het uit 1927 daterende Ice Cream  werd zijn lijflied en staat nog steeds op het repertoire van vele bands over de hele wereld 'I scream, you scream, we all scream for Ice Cream' heeft bewust of onbewust bijgedragen tot het wat platte imago dat dixielandmuziek hier en daar opliep. Het werd door sommige bands te vaak gebruikt om een goedkoop succesje bij het soms teveel bierdrinkende publiek te scoren. Maar de deun bracht ook veel plezier. Wie was Chris Barber?

Donald Christopher Barber werd in 1930 geboren in Welwyn Hertfordshire als
zoon van de econoom Donald Barber en onderwijzeres Hettie Barber-Dunne. Al op zevenjarige leeftijd kreeg hij vioolles. Toen hij 18 was, schafte hij zich een tweedehands trombone aan. Hij studeerde van 1951 tot 1954 aan de Londense Guidhall School of Music en begon tegelijkertijd een New Orleans jazzband met Monty Sunshine op klarinet, Lonnie Donegan op banjo, Jim Bray als bassist en Ron Bowden als drummer. Later kwam Pat Halcox op trompet erbij en werden de eerste successen geboekt. De toenemende populariteit noopte Pat Halcox om te stoppen; hij wilde geen beroepsmuzikant worden en werd opgevolgd door Ken Colyer die ook de leiding van de band kreeg. Colyers puristische opvattingen over New Orleans jazz leidde tot wrijving. De trompettist hield het bij de stijl van Bunk Johnson en George Lewis, terwijl Barber en de andere bandleden er een bredere opvatting op nahielden. Colyer stapte op en Barber nam de leiding weer over. Hij haalde Pat Halcox terug en samen werkten ze aan een concept dat een mix was tussen technische perfectie en het bluesgevoel en enthousiasme van de New Orleans straatmuzikanten.

In 1954 kwam de doorbraak. Banjoïst Lonny Donigan zorgde voor afwisseling tijdens de optredens. Hij zong met begeleiding van Chris Barber op bas en de rest van de ritmegroep een aantal solo nummers die skiffle muziek werd genoemd. Het nummer Roch Island Line werd uitgebracht op de plaat, waarvan er in Engeland een miljoen werden verkocht. De muziek van Donegan inspireerde de Beatles later tot de oprichting van een eigen skiffle groep: 'The Quarry Men'. In 1957 had de Barber band een mega hit met Petite Fleur. Dit nummer van Sidney Bechet stond in Nederland twee maanden als nummer 1 op de hit parade. In 1959 werd de Noord-Ierse blueszangeres Otillie Patterson mevrouw Barber. Ondertussen richtte Chris met een zakenpartner de Londense Marquee club op, waar iedere popband, van David Bowie tot Fleetwood Mac, optrad. In 1961 trad Chris Barbers Jazz band met heel veel succes op in een uitverkochte Royal Albert Hall in Londen. Van dit concert zijn opnamen gemaakt en op grammofoonplaat uitgebracht,  inclusief de uitzinnige reacties van het publiek. Rond deze tijd trad bluesgitarist John Slaugter tot het orkest toe, dat voortaan de Chris Barber Jazz en Bluesband werd genoemd. Ook werd er gospelrepertoire aan de band toegevoegd. In de jaren zestig nam de populariteit van de traditionele jazz onder druk van de rock en roll wat af. Chris kreeg concurrentie van o.a. Kenny Ball, Mr. Acker Bilk en de Nederlandse Dutch Swing College band. De Barber band bleef echter populair vanwege het brede repertoire in jazz en blues. Amerikaanse bluesartiesten, zoals Big Bill Broonzy, Sonny Terry en Muddy Waters, werden op kosten van Barber naar Engeland gehaald en traden als gastsolist met de band op. In 1967 nam de band Cat Call op, een compositie van Paul McCartney, die op de plaat orgel speelt. Chris Barbers Jazz Band was in Amerika te zien op tv in de Ed Sullivan Show. De band werd er geroemd om diens muzikaal vakmanschap, enthousiasme en amusementswaarde, maar ook om het respect voor de Amerikaanse muzikale grondleggers van de jazz en blues. Chris Barber streefde er steeds naar om de vroegste jazz- en blues tradities uit New Orleans te verbinden met nieuwere ontwikkelingen, zoals de muziek van Charles Mingus, Van Morrison John Mayall, Eric Clapton en de Rolling Stones. "Zonder Chris Barber," zei eens bassist Bill Wyman, "zouden de Beatles en de Stones niet zijn waar ze nu zijn."  

Heel Europa werd het werkterrein van de band. Ook in Nederland traden ze regelmatig op, zoals in de destijds vermaarde Pauwkes Jazz corner in Beek en Donk. Diverse Nederlandse theaters werden vele seizoenen achtereen aangedaan. Na een optreden in de Stadsschouwburg in Haarlem had ik het genoegen om in de pauze een kort gesprekje met Chris te hebben. We hadden het over de moeilijkheidsgraad van de trombone en de voorkeur voor merken en types. Op mijn vraag wie zijn favoriete trombonist was, antwoordde hij: "Ik zou graag zo willen spelen als Miff Mole, maar er is een probleem: ik kan het gewoon niet!" Bij Tros Sesjun was hij een graag geziene gast en samen met platenbaas Wim Wigt produceerde hij 25 albums met classic jazz. Wigt zou ook nog jaren zijn impresario blijven. Regelmatig keerde Chris met zijn repertoire terug naar de muzikale erfenis van Duke Ellington. Hij haalde gastsolisten, zoals Duke Ellingtons klarinettist Rusell Procope naar Engeland om grotere arrangementen, vooral van Ellington repertoire, authentieker te kunnen uitvoeren. In 1991 kreeg Barber vanwege
zijn verdiensten op muziekgebied de onderscheiding Officer of the Orde of the British Empire. In 1998 ging hij  samenwerken  met het orkest de Ellingtonians van Bob Hunt. Die samenwerking leverde uiteindelijk een nieuwe bezetting van 11 musici op. Het orkest kreeg een nieuwe naam: The  Big Chris Barber Jazz Band en ging door met Hunt als tweede trombonist en arrangeur. Hunt is tevens de trotse eigenaar van een trombone die ooit toebehoorde aan de Ellington trombonist Tricky Sam Nanton. Luister naar de geweldige opnamen van The Spell of the Blues en Jubilee Stomp in deze nieuwe bezetting. De Big Band op z'n best! Toen Wim Wigt eens aan Chris vroeg hoe lang hij nog door wilde gaan antwoordde hij: "Zolang jij mijn concerten kan boeken!" De memoires van Chris Jazz me Blues, geschreven door Alyn Shipton, verschenen in 2014. 

Op 12 augustus 2019 maakte zijn management bekend dat Chris Barber, na 70 jaar toeren, zijn loopbaan als actief musicus zou beëindigen. Hij was toen 88 jaar. Daarmee kwam een eind aan zijn dynamische, zeer herkenbare en stijlvaste trombonespel en de deelname aan zijn jazzband, die meer dan 15.000 concerten gaf in vijftig verschillende landen. De band van Chris Barber betekende veel meer dan alleen de vertolking van Ice Cream en Petite Fleur. Door de jaren heen werd een unieke bijdrage geleverd aan de authentieke jazz- en bluesmuziek. De band is gelukkig doorgegaan. Bob Hunt heeft de muzikale leiding en de presentatie is in handen van de Nederlandse klarinettist en saxofonist Bert Brandsma. Bedankt Chris, voor al die prachtige muziek !

Bronnen:

The Guardian, 2 maart 2021, Dagblad van het Noorden, 3 maart 2021, Newsblog 5 maart 2021, Nu Jazz, 5 maart 2021, Wikipedia, 5 maart 2021.                                                                                                         .                                                                                           


 





maandag 22 februari 2021

Pere Morel




Het moet zo'n 40 jaar geleden zijn geweest dat ik attent gemaakt werd op een Franse jazzband die zou gaan optreden in de Josef Lam Jazz Club in de van Diemenstraat in Amsterdam. Ik wist niet veel over het orkest, behalve dan dat ze een LP hadden gemaakt voor Cat Jazz Records, het label van de Haarlemse Jazz Club. Als je die LP draaide, viel direct op hoe authentiek hun manier van spelen was. Het live optreden in Amsterdam bevestigde dat nog eens. Ik was onder de indruk. Zó moest je classic jazz spelen. De man die dat alles organiseerde en arrangeerde was cornettist Jean Pierre Morel. In Doctor Jazz magazine las ik vorige maand een lovende recensie van columnist Joep Peeters over een net uitgekomen cd van Les Chauds Seven onder leiding van diezelfde Jean Pierre Morel; reden genoeg om contact te zoeken, want ik wilde meer weten. Dat leverde het volgende interview op:

Voor de Tweede Wereldoorlog was classic jazz in verschillende vormen populair in Europa. Ook in Nederland waren er veel jazzbands actief. Hoe was dat in Frankrijk?
'Ik heb nooit veel aandacht besteed aan de ontwikkelingen in Frankrijk in die tijd, en heb eigenlijk nooit iets gehoord over Franse classic jazzbands. Wel weet ik dat er veel amusementorkesten bestonden onder andere die van Gregor et ses Gregoriens en Ray Ventura. Daarnaast waren er een aantal individuele muzikanten die met verschillende orkesten naam maakten via platen en radio uitzendingen, zoals Philippe Brun, Leo Vauchant, Alex Combelle, André Ekyan, Michel Warlop en het duo Stéphane Grappely/Django Reinhardt. Pas na de oorlog werd  jazz populair bij de jeugd, vooral omdat de Sidney Bechet zich in Parijs vestigde.'

Hoe ging die ontwikkeling verder ?
'Bechet werd immens populair en daarvan profiteerden de bands van Claude Luter en André Reweliotty die hem maar wat graag als gastsolist in hun bezettingen opnamen. Andere beginnende jazzbands werden daardoor volledig overschaduwd. Tegelijk ontstonden er in Frankrijk veel moderne jazzgroepen, maar daar heb ik mij nooit veel mee beziggehouden. In die tijd bestond het classic jazz publiek uit jonge mensen, hoofdzakelijk studenten. Ik herinner mij nog goed het eerste concert dat ik bijwoonde van Kid Ory's Jazz band in Lyon in 1956. Ik was toen 13 jaar. Het was in een oud theater in het centrum van Lyon. De hoogste balkonverdieping was afgeladen vol met enthousiaste jongelui. De goedkoopste kaartjes waren in de nok. Helaas verdween die belangstelling en dat enthousiasme met de dood van Bechet en met de opkomst van de rock and roll met Johnny Haliday.'

Welke rol speelde de media, zoals radio ?
'In 1955 introduceerde de commerciële radiozender Europe 1 een dagelijks programma met als titel Pour ceux qui aiment le jazz. Het programma werd een groot succes en droeg ontegenzeggelijk bij aan de verspreiding van jazzmuziek in Frankrijk. Alleen was de helft van de programmering gewijd aan moderne jazz en aan mainstream (Count Basie etcetera) en slechts een klein deel aan classic jazz.'

Waar vonden de live concerten plaats ?
'Parijs was 'the place to be'. Daar traden in het begin de eerder genoemde bands op en later de orkesten van Maxim Saury en Marc Laferriere in clubs, zoals La Hachette. Pas in het midden van de zestiger jaren kwamen er meer amateurbands, zoals Les Haricots Rouges, Les Jazz O'Maniacs, Irakli Jazz Band en Red Hot Peppers in het zuiden van Frankrijk. Alleen Les Haricots Rouges werden volledig beroeps en bekend in heel Frankrijk De 'oudjes', Irakli en Claude Luter, trokken het meeste publiek terwijl de andere, waaronder Sharky & Co, alleen bekend bleven bij hun locale fans. Desalniettemin is er bij jongere muzikanten de laatste jaren weer wat meer belangstelling voor classic jazz ontstaan, vooral in Zuid-Frankrijk door het oude stijl festival in Saint Rafaël en in 2019 door de tournee van de Amerikaanse band Tuba Skinny. Interessant is dat jonge muzikanten allemaal op muziekscholen zijn opgeleid, terwijl ze vroeger zichzelf leerden spelen.'

Welke rol speelde jij in deze ontwikkelingen ? 
'Na het bijwonen van het concert van de Kid Ory Band in 1956  bleef ik geïnteresseerd in classic jazz. Tijdens mijn studie in Lyon begon ik in 1961 op mijn kamer (arme buren) trompet te spelen. Ik kocht platen van Louis Armstrong, Jelly Roll Morton en van Chris Barber's Jazzband. Ik werd vooral fan van Pat Halcox, de uitstekende lead trompettist in de band van Barber. Na mijn studie en verhuizing naar Parijs ruilde ik mijn trompet in voor een cornet en vond ik vooral de trompettisten/cornettisten, zowel  blank als zwart, uit de twintiger jaren interessant. Mijn favoriet, tot op de dag van vandaag, werd naast Joe Smith en Frank Guarente George Mitchell, de cornettist van Jelly Roll Morton's Red Hot Peppers. Naast mijn werk als medewerker bij het Centre National de la Recherche Scientifique had ik genoeg tijd om mijn cornetspel verder te ontwikkelen en kwam ik door bezoek aan de Caveau de la Montagne in Parijs in contact met trompettist Iirakli en veel andere classic jazz muzikanten met als resultaat dat ik naast Alain Froment tweede cornettist werd bij de Famous Melody Boys. De trombonist was Gabriel Conessa. Met hem vormde ik na de Melody Boys eerst The New Orleans Jazz Babies en later Sharkey & Co dat in 1972 Charquet & Co. werd. Deze band werd zeer succesvol, weliswaar alleen bij een kleine groep liefhebbers. We repeteerden iedere maandagavond en speelden twee keer per week afwisselend in de Caveau en in Le Petit Journal, de nog steeds bestaande classic jazz club in Parijs. We traden regelmatig op in Nederland. Op uitnodiging van de Stichting Cat Jazz Records in Haarlem werd de LP Charquet & Co opgenomen en uitgebracht. De band werd bekender in Nederland dan in Frankrijk. De bezetting bestond naast mij op cornet uit Jack Cadieu trombone, Alain Marquet klarinet, Marc Bresdin alt en bariton sax, klarinet, Michel Bescont klarinet en tenorsax, Lionel Benhamou banjo, Bernard Thevin piano en Gerard Servois tuba.'

Hoe ging het verder ?
'Charquet & Co werd in 1978 opgeheven. Ik had er genoeg van. Teveel onderlinge problemen en te heftige discussies. Maar het bloed kruipt waar het niet gaan kan. In 1996 organiseerde ik een nieuwe groep met een nieuwe naam: Le Petit Jazzband de Mr. Morel. De band was een experiment met grotendeels oude getrouwen en een tweetal nieuwelingen: Daniel Huck altsax en Francois Fournet banjo. Geen trombonist. Organisatorisch lastig met Gerard uit Toulouse Daniel uit Alès, ikzelf uit Nancy en de rest uit Parijs en omstreken. Onze eerste CD Farewell Blues werd opgedragen aan Charquet banjoist Lionel Benhamou, die helaas eerder was overleden. Later is trombonist Daniel Conesa alsnog aan de band toegevoegd. Ondanks de twee cd's op het Amerikaanse Stomp Off label wilde niemand in de Verenig Staten ons uitnodigen, terwijl we vaak te horen kregen dat we beter speelden dan menige band in de U.S.A.'

In 2003 was er weer sprake van een nieuwe band met een nieuwe naam en  bezetting:                    Les Rois du Foxtrot. Wat gebeurde er ?
'De aanleiding was het vertrek van klarinettist Alain Marquet die het erg druk kreeg in andere orkesten en niet meer beschikbaar was. Ik besloot van de gelegenheid gebruik te maken om door te gaan met een complete saxgroep, een tweede cornet en uitgebreidere arrangementen. Bovendien werd er voor het eerst een drummer aan de ritmegroep toegevoegd, waar ook de partijen voor werden uitgeschreven. De bezetting bestond nu uit 10 musici, voor de ene helft uit professionals en voor de andere helft uit amateurs. In de praktijk een mix van goede en slechtere lezers. In vergelijking met Le Petit Jazzband was er een tweede cornet toegevoegd:  Shona Taylor, de saxgroep was uitgebreid met Nicola Montier op altsax. Trombonist Daniel Conesa was vervangen door Patrick Baqueville en Laurence Bridard was nieuw op drums. Un grand jazzband met twee vrouwen in de bezetting! Er werd iedere maand op zondagavond opgetreden in Le Petit Journal met een repetitie op zondagmiddag vooraf. De concerten werden ter plekke opgenomen en uitgebracht op Stomp Off Records.'

In 2015 verlaat je de band. Wat was er aan de hand ?
'De laatste jaren was er een flink verschil van mening ontstaan tussen mij en en saxofonist Nicolas Montier. Nicolas, een ultra perfectionist, wilde het opgebouwde repertoire van 120 nummers terugbrengen tot 20 en ze fijnslijpen tot in de absolute perfectie. Dat was niet in overeenstemming met mijn idee over het bandconcept: een complete bezetting met veel ruimte voor solowerk en met iedere maand ter afwisseling een nieuw nummer op het repertoire; interessant voor de band en voor het publiek. Ik was moe van de voortdurende discussie met het merendeel van de muzikanten en besloot de band te verlaten. Nicolas bracht onmiddellijk zijn visie in praktijk. Hij werd de nieuwe arrangeur, Jacques Schenk de nieuwe pianist, Déborah Tropez de nieuwe drummer en Michel Bonnet de nieuwe eerste cornettist. De naam Les Rois du Foxtrot werd, ondanks mijn verzoek om aanpassing, gehandhaafd. Het resultaat werd vastgelegd op een CD in 2017 met als titel: Hommage à Duke Ellington.'
Les Chauds 7 du Pere Morel

 Wat nu ?
 'Ik wilde niet stoppen met cornet spelen en besloot in   2016 met zes anderen om een kleinere band op te zetten   met als basis het beproefde oude, relaxte concept. Dat   lukte met de oudgedienden Bernard Thevin piano, Marc   Bresdin( dit keer op bassax), Francois Fournet banjo,   Laurence Bridart slagwerk en als nieuwkomers in de   vaste bezetting Stéphane Gillot altsax en klarinet en   Pierre Reboud-trombone. Ziedaar: Les Chauds 7 du   Pere Morel. Ik wil dit keer tot iedere prijs discussies   over de stijl en de perfectie graad voorkomen. Centraal  staat het plezier om met elkaar mooie muziek te maken. We hebben ondertussen  2 CD's gemaakt, waarvan de eerste, Dixieland Doin's, al weer is uitverkocht. In augustus hadden we een fantastische reünie met de voormalige leden van Charquet & Co, waar we de arrangementen van 45 jaar geleden hebben gespeeld, maar waar we ook ontdekten dat we niet meer helemaal het niveau (vooral ik) van toen hebben! In ieder geval is met Les Chauds 7 het plezier weer terug.We spelen nieuwe nummers met intro, chorus, verse en soli in verschillende tempo's en toonsoorten. Les Chauds 7 blijven nog even!'

Bron: Interview met Jean-Pierre Morel 17 februari 2021.
Discografie:
Sharkey & Co LP's ( PRG)
Jungle Crawl 1969, Kansas City Kitty 1972, Petite Fleur 1973
Charquet & Co LP's (Stomp Off)
Dans les Jungles de Poitou (PRG) 1975, (Moulin à Café 1976 (CAT),You'll Long For Me 1976, Crazy Guilt 1977, Jungle Jamboree 1977, Live at the Josef Lam Jazzclub 1977, Everybody Stomp 1978.
Le Petit Jazzband de Mr. Morel CD's (Stomp Off)
Farewell Blues 1997, Delta Bound 1998, Au Petit Journal St.Michel 1999-2000. Le Petit Jazzband:  Café Capers 2000-2002, Baby 1999-2004.
Les Rois du Foxtrot  CD's (Stomp Off)
A Tribute to Elmer Schoebel 2004-2005,Crazy About Red Head Mama's 2006-2008, Fire Works 2008-2010. We're For ever Blowing Bubbles 2011-2013. Humming To Myself ( RDF) 2012
Les Chauds 7 du Pere Morel. CD's (LeBaron)
Dixieland Doin's 2016-2017, Horse Feathers 2017-2019

 

.                                                                                      
 
                                     
     
 


maandag 18 januari 2021

Bananenrokje




Onlangs kwam ik een artikel tegen over danseres, actrice en zangeres Josephine Baker. Daarin werd vermeld dat ze een plaatopname had gemaakt met een Belgisch orkest in Parijs. Als danseres had ze al eerder furore gemaakt. Neem die welbekende foto van haar in dat nauwelijks iets verhullende bananenrokje. Wat had ze als zangeres opgenomen met een Belgische jazzband? Het wekte mijn nieuwsgierigheid: een bananenrokje in een Belgische jazzband?

Josephine McDonald werd geboren in Saint Louis (Missouri) USA op 3 juni 1906. Haar ouders, hij van Duitse afkomst, zij Afro-Amerikaans en beiden vaudeville artiesten, traden op in heel Midwest Amerika. Al vroeg werd Josephine als danseresje bij de shows van haar ouders betrokken, maar het succes was matig. Vader Eddie gaf er de brui aan en liet vrouw Carri en dochter in de steek. Carri hertrouwde en kreeg er een zoon en twee dochters bij. Haar nieuwe echtgenoot raakte werkloos en Josephine werd al vroeg gedwongen werk te zoeken, dat bestond uit huizen schoonmaken en op kinderen passen bij rijke blanke families. Er werd haar als donker meisje op het hart gedrukt de kinderen niet te zoenen. 

Toen Josephine dertien was, kreeg ze een baantje als serveerster en danste en bedelde voor extra geld op straat. Dat werd opgemerkt door een Afro-Amerikaanse theatergroep. Josephine werd in deze groep opgenomen en liep van huis weg. In 1921 trouwde ze met Willy Baker en scheidde ook al snel weer van hem, maar ze behield de familienaam van haar ex-echtgenoot voor de rest haar leven. Josephine Baker kreeg succes en trad op als danseres in verschillende vaudevilleshows. Ze verhuisde naar New York, waar ze in eerste instantie werd afgewezen (te mager en te donker). Als kleedster en later als invalster wist ze toch een plek in de theaters te veroveren. Ze trad op in het Plantation Café samen met zangeres Adelaide Hall en in de Chocolate Dandies Show met zangeres Ethel Waters. Door met haar ogen te rollen en met opzet onhandige bewegingen te maken, werd ze in het begin van de jaren twintig publiekslieveling op Broadway. In 1925 werd er een filmpje opgenomen waarin ze met het orkest van Isham Jones een demonstratie gaf van de toen populaire Charlestondans. In hetzelfde jaar volgden tournees naar Zuid-Amerika en Europa.

In de Parijse Folies Bergère oogstte ze enorm succes met haar ‘Danse Sauvage’, alleen gekleed in een rok van bananenschillen en in gezelschap van Chiquita, een jachtluipaard met een diamanten halsband, die regelmatig ontsnapte en van het podium in de orkestbak sprong en daar de musici de stuipen op het lijf joeg. In 1926 maakte ze een aantal plaatopnamen met de band van de Belgische trompettist Leon Jacobs met nummers als You Drivin'me Crazy, After I say, I am Sorry, Everybody loves my Baby, Blue Skies, I've Found a new Baby, Bye Bye Blackbird en Then I will be Happy. 


In 1928 trad ze op in Nederland. De multi-getalenteerde Josephine werd de meest gefotografeerde vrouw in de internationale showbusiness, meer nog dan haar blanke rivalen Gloria Swanson en Mary Pickford. Ze werd The Black Venus genoemd, kreeg meer dan 1000 huwelijksaanzoeken en verdiende meer geld dan ieder andere artiest in Europa. Pablo Picasso en Ernest Hemingway waren grote fans. Ze had een korte maar hevige verhouding met de auteur Georges Simenon, die uit Luik afkomstig was, net als het Belgische orkest waarmee ze plaatopnamen maakte. In 1930 speelde ze de hoofdrol in twee films:
Zou-Zou en Princesse Tamtam. Speciaal voor de films maakte ze twee opnames met de toen zeer populaire Comedian Harmonists. Met het verdiende geld kocht ze Les Milandes, een landgoed in Castelnaud Fayrac en liet ze haar hele familie overkomen uit Saint-Louis. In 1932 en in 1933 trad ze opnieuw in Nederland op om in 1936 terug te keren naar Amerika voor een optreden in de Ziegfeld Follies show in New York. Ondanks het feit dat ze een grote ster in Europa was, werd haar optreden in Amerika een totale mislukking. Het Amerikaanse publiek beschouwde het bijzondere optreden van de bijna naakte, zwarte Afro-Amerikaanse artieste, als ongepast. De New York Times schreef een negatieve, discriminerende recensie over haar optreden. Een ontgoochelde Josephine Baker keerde met een gebroken hart terug naar Europa.
In 1937 nam ze de Franse nationaliteit aan door te trouwen met de Fransman Jean Lion en ging ze definitief in Frankrijk wonen. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werkte Josephine voor de Résistance door haar positie als topartieste te gebruiken voor het verzamelen van inlichtingen die ze met onzichtbare inkt noteerde op muziekpapier. Hiervoor werd ze later door de Franse regering onderscheiden met onder andere de Verzetsmedaille en het Ridderkruis van het Legioen van Eer. In 1944 trad ze op voor Amerikaanse soldaten die net het zuiden van Nederland hadden bevrijd. Het optreden vond plaats in Overasselt. De overnachting was in hotel de Poort van Cleve in Grave.

Gedurende de vijftiger en zestiger jaren bezocht Josephine regelmatig Amerika om oppositie te voeren tegen rassenscheiding en discriminatie. In 1951 werd haar de toegang tot een club in New York geweigerd. Grace Kelly, die wel toegelaten was, verliet uit protest met haar hele vriendenkring de club, om er nooit meer terug te komen. Josephine Baker en Grace Kelly zijn altijd vrienden gebleven. 
In 1963 liep ze mee in de March on Washington en kreeg ze als een van de weinige vrouwen een spreekbeurt waarin ze zei:
"You know friends, that I do not lie to you when I tell you that I walked in the palaces of kings and queens and that I walked into the houses of presidents and much more. But I could not walk into a hotel in America to get a cup of coffee and that made me mad.”


Josephine Baker bleef optreden en platen maken. Op Youtube is veel van haar werk te vinden. In 1973 trad ze, na jaren ervaring met boycots en rassendiscriminatie, op in de Carnegie Hall in New York. Ze was erg nerveus over hoe het Amerikaanse publiek haar zou ontvangen, maar kreeg al een staande ovatie voordat het concert begonnen was en brak in tranen uit. De show werd een groot succes en markeerde Bakers terugkomst in het Amerikaanse theater. Ondertussen had ze 13 kinderen geadopteerd uit verschillende landen die allemaal woonden op haar landgoed Les Milandes. Daarmee wilde ze aantonen dat mensen met een verschillende huidskleur en uit verschillende culturen heel goed kunnen samenleven.

In april 1975 trad Josephine Baker op in het Bobina Theater in Parijs ter gelegenheid van het feit dat ze 50 jaar geleden debuteerde in die stad. Verscheidene beroemdheden waren aanwezig, waaronder Sophia Loren en Princes Gracia van Monaco. Een paar dagen later, op 12 april 1975, overleed Josephine in haar slaap aan een hersenbloeding. Op de dag van haar begrafenis stonden er 20.000 Parijzenaars langs de route van de rouwstoet en betuigde de Franse regering met twintig saluutschoten haar de laatste eer. Ze was de eerste Amerikaanse vrouw die met Frans militaire eer werd begraven. Haar graf bevindt zich op het Cimetière de Monaco in Monte Carlo. Josephine Baker, die optrad in een bananen rokje en classic jazzplaten maakte met een Belgisch orkest in Parijs, bleef de wereld inspireren. In 1991 werd The Josephine Baker Story uitgebracht. De film won vijf Emmy Awards en een Golden Globe. Een bijzonder verhaal over een bijzondere vrouw.
 
Bronnen:
National Womens History Museum, The Offical Site of Josephine Baker,.Josephine Baker Biography, Herman Romer Pschorr, Josephine Baker en het zwarte tumult Michel Didier.                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                                               
                                                                                                                                  







zaterdag 14 november 2020

Drie toppers uit Scranton





De nieuwe president van de Verenigde Staten, Joe Biden werd geboren in Scranton, Pennsylvanië, de swingstate, die ervoor zorgde dat Biden aan zijn meer dan 270 kiesmannen kwam. Het heeft er altijd al geswingd! In Scranton begonnen ook Tommy en Jimmy Dorsey een fantastische carrière. Net als bij Biden was de familie Dorsey afkomstig uit Ierland en vestigde ze zich in de mijnstreek van Amerika, omdat daar voor emigranten meteen werk was te vinden. Vader Dorsey, een muzikale man die goed trompet speelde, begon eerst als mijnarbeider, maar werd uiteindelijk muziekleraar en dirigent van een plaatselijke harmonie. Hij gaf al vroeg trompetles aan zijn twee talentvolle zoons. Jimmy, geboren in 1905, makkelijk en vriendelijk van karakter, was zo goed dat hij op twaalfjarige leeftijd als trompetsolist met de harmonie van pa optrad in de plaatselijke muziektent en foutloos de trompetsolo uit Carnival de Venice speelde. Naast trompet begon hij ook op altsax en klarinet en Tommy, geboren in 1907, minstens zo talentvol, maar agressiever van aard, bekwaamde zich naast trompet ook op trombone.Vader Dorsey was een strenge leraar. Het verhaal gaat dat hij na schooltijd de schoenen van de jongens verstopte om ze daarmee te dwingen om trompet te spelen en niet naar buiten te gaan. Het was een harde leerschool, maar daar moet bij worden gezegd dat de broers het plezierig vonden om muziek te maken. Op vijftien- en zeventienjarige leeftijd, werden ze leden van de Scranton Sirens. Die verbintenis was belangrijk, het betekende uitbreiding van hun werkterrein onder andere naar New York. Hun carrière ontwikkelde zich zo'n beetje als die van huidige profvoetballers.Begin 1924 werden ze benaderd door het orkest van Jean Goldkette uit Detroit. Goldkette wilde alleen getalenteerde profmuzikanten in zijn band. Verschillende leden van de Scranton Sirens werden daarom weggekocht, waaronder de beide broers. Al gauw kreeg Jimmy een nog beter bod van de California Ramblers, een top orkest met onder andere Red Nichols en Adrian Rollini in de bezetting. Tommy volgde zijn broer in maart. Met de Ramblers namen ze hun eerste platen op, waarop Tommy nauwelijks te onderscheiden is van zijn idool, trombonist Miff Mole. Ook deze verbintenis was echter van korte duur. Jimmy keerde terug naar Goldkette, terwijl Tommy  terug ging naar Scranton Sirens. In mei 1927 kregen ze allebei een een niet te weigeren aanbod van The King of Jazz, Paul Whiteman. Tommy bleef tot eind november bij de Whiteman band, Jimmy tot februari 1928. Er werden prachtige plaatopnamen gemaakt, waaronder Jimmy met een opname van het nummer San met daarin een chorus voor de drie trompettisten: Bix Beiderbecke, Charley Margulis en Jimmy Dorsey in de rol van.trompettist Fantastisch!
De broers hadden de top van de Amerikaanse muziekbusiness bereikt. Ze bleven in elkaars buurt en speelden vaker met dan zonder elkaar. Na een aantal jaren freelancewerk richtten ze in 1934 hun eigen bigband op: The Dorsey Brothers Orchestra met een wat afwijkende koperbezetting van drie trombones (Tommy, Glenn Miller en Don Matteson) en trompettist George Thow. Glenn Miller schreef de arrangementen en Kay Weber was de vaste vocaliste. Technisch zag het er prima uit, maar er was wel een probleem: twee kapiteins met verschillend karakter op hetzelfde Dorseyschip. Ze hielden van dezelfde muziek, maar maakten in de uitvoering problemen over van alles en nog wat. In mei 1935 barstte de bom. Tijdens een optreden zou het nummer I'll  Never say, Never Again, Again
gespeeld worden met daarin een drie trompetten chorus. Tommy gaf het tempo aan, maar Jimmy onderbrak het aftellen door te roepen dat het veel te snel was. Tommy reageerde onmiddellijk en liep rechtstreeks het podium af. Jimmy speelde alleen door, hopende dat zijn broer terug zou komen. Dat gebeurde niet en daarmee was de breuk een feit. Vanaf september heette de band Jimmy Dorsey and his Orchestra. Het werd de begeleidingsband van Bing Crosby en bleef een jazzy repertoire spelen. Tommy vormde een nieuwe bigband en ontwikkelde zich als 'The Sentimental  Gentleman of Swing'. Vocalisten speelden in beide orkesten een belangrijke rol. Bing Crosby en Kay Weber bij Jimmy's band en Conny Boswell en een vierentwintigjarige jongeman genaamd Frank Sinatra bij Tommy's band. Later zou Frank verklaren dat hij van Tommy's manier van trombone spelen had geleerd hoe hij als vocalist moest ademhalen en timen. 
Tot 1945 gingen de broers allebei met veel succes hun eigen weg. In dat jaar werden beide orkesten in NewYork samengevoegd voor de opname van een Victory Disc ter viering van het einde van de Tweede Wereldoorlog. In 1947 werden de tegenstellingen opnieuw terzijde geschoven voor een gezamenlijk optreden in de MGM filThe Fabulous  Dorseys, waarin de muziek en de strubbelingen van de broers op het witte doek werden vastgelegd. Ondanks dat bleef Jimmy zijn eigen orkest leiden tot 1950. In dat jaar bood Tommy zijn broer een stoel aan in zijn orkest. Jimmy accepteerde het aanbod en vanaf dat moment was er weer een Dorsey Brothers Orchestra onder leiding van Tommy met Jimmy als co-leader en stersolist. In 1953 trad het orkest op in de Jacky Gleason televisieshow. Dat werd zo'n groot succes dat ze van 1954 tot 1956 als gastheren met de band wekelijks te zien waren in de CBS Stage Show, waarin Elvis Presley zijn televisiedebuut maakte.

Op een maandagmorgen in 1956 werd Jimmy opgebeld door de manager van het orkest. 
"Jimmy, heb je het nieuws over Tommy al gehoord?"
"Nee, was is er dan?" 
"Hij is dood." 
Tommy was de avond ervoor, na een copieus diner, naar bed gegaan en onverwacht op eenenvijftigjarige leeftijd in zijn slaap overleden. Jimmy nam de leiding van het orkest over. Bij hem werd in dezelfde tijd kanker geconstateerd, waaraan hij op 12 juni, 6 maanden na de dood van zijn broer, overleed. Jimmy werd drieënvijftig. Daarmee kwam een eind aan de carrières van Jimmy en Tommy Dorsey, die tot op de dag van vandaag worden beschouwd als twee van de meest invloedrijke muzikanten uit de Amerikaanse amusementsmuziek. Het begon allemaal in Scranton, Pennsylvanië.
 
 Cd's :
Masters of Jazz, Bix Beiderbecke and his Rhythm Jugglers
Timeless Historical, The Califoria Ramblers
Jazz Oracle; The Dorsey Brothers, Volume 1 t/m 4 
- Tommy Dorsey and his Orchestra 1928-1935, Classical Records
Bronnen:
-Tommy and Jimmy, The Dorsey Years Herb Sanford
-Wikipedia Jimmy Dorsey, Tommy Dorsey Encyclopaedia Britannica

 


                                                                      I




zaterdag 10 oktober 2020

The Comedian Harmonists

v.l.n.r. Biberti, Collin, Bootz,Cycowski
Frommermann, Leschnikoff

Het verhaal over de Comedian Harmonists is meer dan alleen een verhaal over hun muziek. Het is het verhaal over de opkomst en ondergang van een groep uitzonderlijk getalenteerde vocalisten, The Comedian Harmonists uit Berlijn. Voor de Tweede Wereldoorlog kende men in Europa, meerdere professionele close harmony groepen. Het grote voorbeeld was The Revelers uit de Verenigde Staten. Ook Harry Frommermann, een talentvolle, werkloze vocalist/acteur, hoorde de platen van de Revelers 
en raakte zo geïnspireerd, dat hij besloot om een dergelijk ensemble op te richten in Duitsland.
Het concept stelde hoge eisen: de vocalisten moesten in staat zijn om op een humoristische manier orkestinstrumenten na te bootsen, slechts begeleid door
een piano, bovendien moesten ze thuis zijn in een breed pallet van muziekgenres, van klassiek tot populair en van volksliedjes tot jazz. Frommermann begon arrangementen te schrijven en plaatste op 28 december 1927 een advertentie in een Berlijnse krant, waarin hij opriep audities te komen doen. Na vele afwijzingen en zangers op proef, werd er contact gelegd met de Berlijnse Opera.
Dat leverde uiteindelijk in 1929 de volgende bezetting op:
Ari Leschnikoff, eerste tenor/leadzanger, een zeer bekwame Bulgaarse vocalist(1897-1978);
Erich Collin, ( 1899-1961) tweede tenor;
Roman Cycowski (1901-1998), een bekende Poolse bariton;
Robert Biberti (1902-1985) bas;
Erwin Bootz (1907-1982) pianist/arrangeur en extra stem;
Harry Frommerrmann( 1906-1975)  3e tenor buffo (komisch)

In het huis van Frommermann vonden de eerste repetities plaats. Een onderscheidend kenmerk van het ensemble was het vermogen de stemmen perfect in elkaar te laten  overvloeien en het volume soepel terug te nemen en weer te versterken om ruimte te creëren voor de solo's. Nummers zoals Creole Love Call, Whispering, Tea For Two, Happy Days Are Here Again en Stormy Weather zijn daar mooie voorbeelden van.
Al snel volgden vele successen in Berlijn en Hamburg.Voor het Odeon label werden de eerste plaatopnames gemaakt. In augustus 1929 stonden de Revelers in Berlijn, waar ze samen met de Comedian Harmonists optraden.
In 1930 volgde een tournee door heel Duitsland, waarbij alle grote steden werden aangedaan. Het eerste buitenlandse optreden was in november in Amsterdam in La Gaîté, een chique dancing met een art deco interieur, op de eerste verdieping van het Tuschinski Theater (tegenwoordig filmzaal 2)
De toen jonge acteur, Lex Goudsmit, was toen zo onder de indruk dat hij met vier vrienden een eigen zanggroep oprichtte: 'de Vocal Kings'

In 1931 waren de Harmonists opnieuw in Nederland met concerten in Amsterdam, Den Haag en Rotterdam.  De dirigent van het Concertgebouworkest, Willem Mengelberg, was een groot bewonderaar van de Comedian Harmonists. Hij had al hun grammofoonplaten en op zijn zestigste verjaardag op 29 maart 1931 had een groep welvarende vrienden de Berlijnse zanggroep uitgenodigd voor als verrassing een concert in het Amstelhotel te geven..
Ze stonden opgesteld in een donkere hoek van de zaal. Plotseling gingen de schijnwerpers aan en zongen de Comedian Harmonists Ich hab für Dich einen Blumentopf bestellt, met ieder een bloempot in de handen, zijn lievelingslied. Harry Frommerman zou later vertellen, dat hij nooit de glimmende oogjes van Mengelberg zou vergeten, evenmin als de royale gage die zij voor dit optreden ontvingen. In november en december van datzelfde jaar maakten de groep een tournee van twee weken door Nederland.

1932 werd het meest succesvolle jaar voor de Comedian Harmonists. Ze maakten de ene grammofoonplaat na de andere; nu voor het Electrola label. In augustus en aan het einde van dat jaar waren ze opnieuw in Nederland, waar ze populair waren. Hun gage bedroeg tenminste 1000 Reichsmark per optreden, maar lag in de grote steden vaak tussen de 1500 en 2000 RM. In dit jaar kwam er in totaal 200.000 RM binnen aan gage, plaatverkoop en radio-uitzendingen. Dat betekende een bruto-jaarinkomen voor de leden van 35.000 RM, terwijl het gemiddelde jaarinkomen in Duitsland toen 1700 RM bedroeg.Welgestelde muzikanten!

In 1933 verschenen in de Duitse pers de eerste bedenkingen tegen het ensemble. De nationaal socialisten maakten bezwaar tegen de Engelse naam, de schetterende jazzstijl en het repertoire, dat hoofdzakelijk afkomstig zou zijn van joodse componisten. De Reichskulturkammer, onder leiding van propagandaminister Joseph Goebbels, trad in september in werking. Iedereen, die een beroep in de kunst wilde uitoefenen, moest verplicht lid worden. Traditioneel traden de Harmonists met Kerst in Nederland op.

In 1934 namen de bewaren tegen de groep toe. Bezwaren tegen de stijl, tegen de niet-arische groepsleden en tegen de interpretatie van Duitse volksliedjes. In maart van dat jaar werden de eerste concerten van de Comedian Harmonist afgelast, omdat de groepsleden nog geen lid waren van de Reichskulturkammer.
De Duitse radio kreeg een verbod om hun platen te draaien. Goebbels sloot, iedereen die van joodse afkomst was, uit om lid van de Reichskulturkammer te worden. Noodgedwongen gaven de Harmonists op 25 maart in Hannover hun laatste concert in Duitsland. Ze hadden drie joods leden in de groep: Frommermann, Collin en Cycowski.
Alleen in het buitenland kon nog worden opgetreden. In april gebeurde dat in Kopenhagen en Oslo. In mei stapten ze op de boot naar Amerika, uitgenodigd voor wekelijkse radio-uitzendingen voor de NBC in New York. In juni traden ze op in de haven van New York op het vliegdekschip Saratoga, samen met de Boswell Sisters en het orkest van Paul Whiteman. In augustus waren ze terug in Nederland voor een concert in het Kurhaus in Scheveningen en traditiegetrouw in december in Amsterdam, Den Haag en Rotterdam. Ze waren zeer geliefd in Nederland.

Begin 1935 verlieten Frommerman, Cykowski en Collin Duitsland. Dat betekende het einde van de Comedian Harmonists in de oorspronkelijke bezetting. De uitgeweken leden gingen door met een nieuwe pianist, bas en tenor onder de naam Comedy Harmonists. De andere leden bleven in Duitsland en vormden met drie nieuwe zangers Das Meistersextet. Geen van beide groepen bereikte het succes dat werd bereikt in de oude samenstelling.
De Bulgaar Lesschnikoff keerde in 1938 terug naar zijn vaderland en bouwde daar alsnog een succesvolle carrière op. In 1941 werden beide groepen alsnog opgeheven. Alle leden overleefden de Tweede Wereldoorlog, maar ze kwamen, triest genoeg, nooit meer bij elkaar.
The Comedian Harmonists bleven lange tijd vergeten, totdat producent Eberhart Ferner in 1975 een documentaire over hen maakte die in 1977 in twee afleveringen in Duitsland op de televisie werd uitgezonden. In 1997 werd de Duitse film Comedian Harmonists geproduceerd en onder de naam The Harmonists in Amerika uitgebracht. De film vormde weer de aanleiding tot een musical, die in december 1997 in Berlijn in première ging. Tenslotte vormden de Duitse acteurs uit de film een nieuwe groep met de naam The Berlin Comedian Harmonists met als doel het oorspronkelijke repertoire opnieuw voor het voetlicht te brengen.
The Comedian Harmonists, classic meets classic, een verhaal apart!

Bronnen:
- Wikipedia
- De Comedian Harmonists in Holland, Maarten Hell
- European jazz and close harmony vocal groups, Jim Lowe
- Comedian Harmonists, Theme Horse

Cd's
- Flapper Cd 7000. 
- ZYX Music Pd 2004. 
- Amazon.com









 
.
   

 

 

                                    

                                

 

            

   

 

 

.

 

 

 




 






 

 

 

 

 

 

 

 

\

 












 

donderdag 10 september 2020

Classic Jazz in Spanje?




Spanje is natuurlijk het land van de flamenco. Ook kennen we de zarzuela en speciaal in Catalonië de sardana. Het gaat hier om dansvormen die uitgevoerd worden met bijbehorende muzikale begeleiding. Bij de flamenco speelt de gitaar de hoofdrol, terwijl bij de sardana een compleet orkest zorgt voor de muziek. Dit orkest wordt een cobla genoemd en bestaat uit 4 rietblazers (hobo-achtige instrumenten), 5 koperblazer (twee trompetten, twee bastrompetten en een ventieltrombone) een piccolo en een strijkbas. Het repertoire wordt altijd gespeeld in 6/8 maat om dansliefhebbers in kringvorm de gelegenheid te geven hun vaste patronen uit te voeren. In het begin dacht ik dat een band in een dergelijke samenstelling (dan wel met banjo) zomaar zou kunnen aftrappen met een oude stijl classic. Dat is niet het geval; het zijn altijd sardanaclassics, waar je wel even aan moet wennen.
Centre Fraternal aan het Plaza Nova
Toch wordt er in mijn woonplaats Palafrugell (23.000 inwoners) ieder jaar in oktober een jazzfestival georganiseerd. Toen ik vier jaar geleden voor het eerst het programma te pakken kreeg, dacht ik wellicht de plaatselijke oude stijl jazzband aan te treffen en zo niet een jazzband uit Barcelona, hier 90 kilometer vandaan. Helaas! Het kwam niet verder dan de big band van de muziekschool, die als enig jazznummer On the Sunny Side Of The Street speelde, met twee trombonisten van rond de 12 jaar in de blazerssectie, op zichzelf een unieke gebeurtenis! En jaar later werd er in het gebouw van de Fraternal (een sociëteit voor senioren) als eerbetoon aan Louis Armstrong een concert georganiseerd. Een zesmans band speelde onder andere What a Wonderful World met de trompettist (altijd weer die trompettisten) in de imitatierol van Armstrong.  Compleet met schor stemgeluid en een lelijk Spaans accent zong hij de Engelse tekst, die hij duidelijk niet begreep, terwijl de band liet blijken de muziek niet te begrijpen.
Om niet totaal moedeloos te worden probeerde ik het een jaar later weer. In de zomermaanden is er hier een jazzclub geopend met de naam La Guitarra. Die naam doet in eerste instantie vermoeden dat het hier om flamenco gaat. Op het programma stond opnieuw een Tribute to Louis Armstrong, maar ditmaal met een band uit Barcelona! Ik besloot een kijkje te nemen met, je weet het maar nooit, mijn trombone in de achterbak van de auto. Ik vond de club even buiten Palafrugell in een 'mas' (een groot buitenhuis) met er omheen een prachtige palmentuin. De band begon om 23.00 en tot dat moment zaten veel mensen, inclusief de bandleden, in de tuin onder een prachtige verlichting te dineren. Het podium bevond zich in de serre van het buitenhuis en rond elf uur gingen de club- en bandleden naar binnen, waar rond middernacht werd afgetrapt.  En jawel het Armstrong All Star repertoire kwam redelijk over het voetlicht, compleet met het onvermijdelijke Wonderful World, ingezongen door de....je raadt het al! In de pauze besloot ik contact te leggen met de eerste classic jazzband die ik live goed hoorde spelen in Spanje. Als trombonist doe je dat met de trombonist in de veronderstelling dat je dan weet waarover je kunt praten. Ik liet vallen dat ik dat instrument ook bespeelde, dat ik hem goed vond en goed op de hoogte was van hun repertoire. En wat ik hoopte dat er zou gebeuren, gebeurde! De man vroeg: "Heb je je trombone bij je ?" Ik antwoordde: "Nou, toevallig wel!" 
Hij: "Dan praat ik even met de bandleider." Ik: "Vale!" oftewel okay. 
Om een lang verhaal kort te maken: ik heb tot 's nachts drie uur meegespeeld. Het was heerlijk om weer eens na drie jaar live op te treden. Helaas is het tot op heden bij dit ene optreden gebleven.
Direct toen ik hier kwam wonen en hoorde dat er een jazzfestival werd georganiseerd, heb ik geprobeerd een optreden te regelen voor de Trianon Jazzband, de band waar ik in Nederland in speelde. Via een Catalaanse vriend kwam ik achter de naam van de gemeenteambtenaar van Palafrugell, die het festival ieder jaar organiseert. Vorig jaar october stapte ik met de promotie-cd van de band plus foto's, een verwijzing naar Youtube en een achergrond verhaal, naar de ambtenaar en informeerde hem over de band. Achteloos wees hij naar de stapel verzoeken van groepen die op de Plaza Nova, het dorpsplein in Palafrugell, aan het festival wilden deelnemen. Daar zat de afgelopen jaren geen enkele classic jazzband bij. Het waren vrijwel allemaal kleine groepen met modernere jazz, blues, of pop,veelal met vocalisten. De ambtenaar zei dat zijn budget hem niet toestond om een buitenlandse band te contracteren, omdat alle optredens gratis waren en het festival geheel gefinancierd werd door de gemeente en een aantal sponsors. Ik antwoordde dat we het ongetwijfeld eens zouden worden over een passende vergoeding en dat we het een eer zouden vinden om op het festival in 2020 classic jazz te kunnen spelen. Na het afspelen van de cd beloofde hij het materiaal verder te zullen bestuderen en erop terug te komen begin 2020. Helaas gooide Covid 19 roet in het eten. 
In de tussentijd ben ik eens nagegaan hoe het toch komt dat classic jazz in Spanje geen poot aan de grond heeft gekregen. In de twintiger en dertiger jaren is er in Madrid en Barcelona, via Engelse en Amerikaanse toeristen en later geïmporteerde 78-toerenplaten, wel enige bekendheid gecreëerd. Maar Spaanse jazzbands of Spaanse jazzmuzikanten zijn daarbij vrijwel niet betrokken. Dat in tegenstelling tot de Italianen, die vooral na emigratie naar Amerika, een grote rol hebben gespeeld. Denk aan Adrian Rollini en Joe Venuti, om er maar een paar te noemen. Via het internet en krantenartikelen vond ik een mogelijke verklaring: Spanjaarden hebben een totaal ander ritmegevoel en een sterke eigen muziek/entertainment traditie, vaak van klassieke, behoudende aard met weinig invloeden van buitenaf. Jazz paste zeker niet in het Spaanse leven toen Franco na de burgeroorlog in 1939 aan de macht kwam. Net als in Duitsland werd jazz in de ban gedaan. In Duitsland kwam daar na 1945 een eind aan. Echter in Spanje heeft dat tot 1975, het einde van de Franco tijd, doorgewerkt. Spanje heeft de revival van oude stijl jazzmuziek totaal gemist en is direct begonnen met modernere vormen van jazz. Daarbij is veel geëxperimenteerd met een fusie tussen jazz en flamenco muziek, waardoor het Spaanse karakter behouden kon blijven.
In het programma van het afgelaste San Sebastian Jazz Festival 2020, komt classic jazz niet voor. Ik ken op dit moment maar één prominente oude stijl jazz band in Spanje: De Potato Head Jazzband uit Granada, met muzikanten die uit alle delen van Spanje komen. Ze treden ook op in het buitenland, vorig jaar nog met Tuba Skinny op een festival in Frankrijk. Eén ding is zeker: Louis Armstrong is niet meer uit Spanje weg te denken. Vraag maar aan de Potato Heads.