woensdag 24 augustus 2022

DICK KLIJN

Vorige week overleed in zijn woonplaats Haarlem de 77-jarige banjoist Dick Klijn. (1944-2022) Dick behoorde tot de top tien classic jazz banjoisten van Nederland. Ik mocht jarenlang met hem samenwerken in verschillende orkesten. Dick was vooral een bandbanjoist, een rots in de branding in de ritmegroep, verantwoordelijk voor de juiste akkoorden. Hij was werkzaam als radiotelegrafist bij Radio Scheveningen en een verwoed radiozendamateur. Daarnaast had hij banjo leren spelen. Oude stijl jazz was in de zestiger jaren van de vorige eeuw in Haarlem behoorlijk populair. Via de Haarlemse Jazzclub kwam hij in contact met meerdere muzikanten, wat in 1965 resulteerde in een vaste plek in de Limehouse Jazz Band. Hij speelde in de band tot 1969. Door bezoeken aan de Amsterdamse Jazzclub de Blokhut speelde hij ook regelmatig met Amsterdamse muzikanten met als hoogtepunt de begeleiding van zangeres Eva Taylor, die daar optrad als gastsoliste.
Limehouse Jazzband 1965

Eind zestig werd Charley's Novelty Orchestra The Crwth opgericht. Initiatiefnemer Frithjof Sterrenburg stelde een orkest samen met louter liefhebbers van de New Yorkse oud blanke stijl. Dick werd de banjoist, naast zijn verbintenis met de Haarlemse Limehouse Jazzband. Het orkest had Felix Merites aan de Keizersgracht als thuisbasis en werd  het huisorkest van Charley's club. Het Parool en Vrij Nederland schreven lovende recensies, het aantal bezoekers nam flink toe en eind 1967 werd er een EP opgenomen. In 1968 kwam trombonist Bill Rank over uit Amerika en trad op als gastsolist in Felix Merites. Dick was toen 23 jaar en werd door Bill Rank gecomplimenteerd met zijn spel. Een jaar later werd dit optreden nog eens herhaald. In 1975 speelde Dick met een gelegenheidscombinatie op het Oude Stijl Jazzfestival in Breda met daarbij opnieuw Bill Rank als gastsolist. Van 1973  tot 1977 was hij terug in de Limehouse Jazzband, waarmee hij in 1973 een Lp maakte. Daarnaast maakte hij LP's met de zangeressen Zenja Dam en Victoria Varekamp.

The Crwth met Bill Rank
Ondertussen was cornettist Hans Roty van de New   Orleans Seven uit Amsterdam een nieuwe groep aan   het samenstellen, die hij de Pink Elephants noemde.   Van maart 1972 tot juli 1974 werd deze band het       huisorkest van Sherry Bodega de Gravin in Haarlem,   waar wekelijks met veel succes werd opgetreden. In de   5-mans  bezetting vonden in de loop van die periode   wat mutaties plaats, maar Dick zou als banjoist 11 jaar   bij  de band blijven. Hoogtepunten waren   gastoptredens  met een aantal grootheden uit de  classic  jazz:  Spiegle Wilcox, Manny Klein, Jabbo   Smith, George Probert een Jan  Morks. Er werd medewerking verleend aan een advertentie campagne voor Heineken en een plaatopname voor de Stichting Oog en Bril. Bovendien kwam er een uitnodiging binnen voor deelname aan de Old Sacramento Dixieland Jubilee in Californië in 1980. Een gigantisch, goed georganiseerd classic jazz festival met medewerking van 77 orkesten. Er vonden ook optredens buiten het festival plaats, zoals in de boksring van de Pepperdine University in Los Angeles, waar de Nederlandse bokser Pedro van Raamsdonk zijn partij op punten verloor, ondanks de Nederlandse muzikale steun. Een Afro-Amerikaanse student vroeg na afloop aan Dick: "Wat kind of music was this, sir ?" Daarnaast waren er optredens in de Cristal Ballroom van het Hacienda Hotel in Los Angeles en in de Forum Jazz Club. In totaal speelden de Elephants in 14 dagen met veel succes 18 keer in Amerika. Een onvergetelijke ervaring, waar Dick een geweldige bijdrage aan heeft geleverd en waar hij ontzettend van heeft genoten. 


Heineken advertentie
Terug in Nederland drukte die toernee de Haarlemse jazzclub met de neus op het feit dat de Elephants nog nooit op het HJC-podium hadden gestaan; een omissie die datzelfde jaar nog werd goedgemaakt. De Pink Elephants bleven actief tot maart 1983. Dick, ook nog kort lid van Andors Jazzband, viel als ervaren banjoist in bij verschillende formaties, totdat hij in 2001 opnieuw benaderd werd door Hans Roty. Cornettist Roty was, net zoals 30 jaar eerder gebeurde met de Pink Elelphants, op zoek naar muzikanten voor een kleine, maar fijne band om daarmee een speciaal geselecteerd repertoire te spelen. Het werd de Rotysserie, waarmee 10 jaar iedere zondagmiddag in De Waag in Haarlem werd gespeeld en een CD werd opgenomen. De band is op Youtube te horen met o.a. nummers als All my life , Exactly like you en de Vo Do Deo Do Blues. 

De laatste jaren heeft Dick nog, naast een periode met de Stable Roof Jazzband, op zondagmiddag gespeeld met de Belle's All Stars, in het gelijknamige restaurant in 't Gooi. Daar stopte hij in 2019 mee, het werd hem teveel, zijn gezondheid liet het niet langer toe. De oude stijl jazzwereld in Nederland verloor een belangrijke banjoist. Het was een plezier om met hem te spelen.

Met dank aan: Pieter Klop, Hans Esman, Fred Horn, Ton van Brussel, Erik de Jonge, Rinus Havelaar. 






rie 



























maandag 16 mei 2022

EVA TAYLOR

Het moet ergens in 1967 zijn geweest dat ik de Amsterdamse oude stijl jazzclub De Blokhut binnen stapte en daar een kleine, donkere vrouw met opgestoken haar en een grote vlinderbril op het podium stond. Ze wilde net met haar optreden beginnen, begeleid door een aantal vaste Blokhut muzikanten. Daar stond ze, de 'Dixie Nightingale' uit St. Louis Amerika; opgetreden met vele grootheden uit de classic jazz, te horen op tientallen plaatopnamen en bekend van haar rol in de Broadway musical Bottomland. Hoe kwam zo'n ster in De Blokhut terecht? Een vraag die ik lang niet kon beantwoorden. Na wat speurwerk kwam ik bij Ate van Delden terecht, platenverzamelaar en kenner van classic jazz, en dat bleek een schot in de roos.    

Eva correspondeerde met Ust van Galen Last uit Den Haag, zus van Joop van Galen Last, toen eindredacteur van Doctor Jazz Magazine. Ust nodigde Eva uit om naar Nederland te komen en Eva accepteerde de uitnodiging. Tijdens een bijeenkomst van een aantal jazzliefhebbers op zondagmiddag in Den Haag werd besloten om die avond naar de Amsterdamse Blokhut te gaan, waar Eva meteen werd gevraagd om een aantal nummers te zingen. Van deze sessie zijn opnamen gemaakt die later zijn uitgezonden in het radioprogramma Jazz uit het Historisch archief van Pim Gras.  Eva  bracht ook bezoeken aan Engeland en Denemarken. In Engeland werd een LP opgenomen met The Anglo-American Boyfriends met in de bezetting onder andere John R. T Davies en Richard Sudhalter, beiden bekend van The New Paul Whiteman Orchestra. In Kopenhagen trad ze op met de Peruna Jazzmen.  Een fimpje van dit optreden is te vinden op Youtube.

vlnr Pim Gras, Dick Klijn, Herman Openneer, Fritjof Sterrenburg
Eva Taylor werd geboren als Irene Joy Gibbons  in St. Louis Missouri op 22 januari 1895. Ze was een van de eerste Afro-Amerikaanse zangeressen die in Amerika voor de radio zong. Op 3- jarige leeftijd stond ze al op de planken en maakte zo, als lid van een vaudeville gezelschap, op zeer jonge leeftijd een tournee door Europa, Nieuw Zeeland en Australië. In 1911 zong ze in het koor van een theatershow met Al Jolson. Ze trouwde in 1921 in New York met bandleider Clarence Williams en trad regelmatig op met zijn trio. In 1922 maakte ze haar eerste plaatopname voor Black Swan Records, die haar afficheerde als de Dixie Nightingale. Daarnaast maakte ze veel platen met The Clarence Williams Blue Five met in de bezetting onder andere Sidney Bechet, Charlie Irvis en Louis Armstrong. Haar opname met deze groep van Cake Walking Babies From Home werd een hit, niet in het minst door de fantastische cornetsolo van Louis Armstrong, die nog veel van zich zou laten horen. Haar opnamen met The Charleston Chasers van Red Nichols en Miff Mole zijn bijzonder te noemen gezien de gecompliceerde situatie in Amerika tussen blank en zwart. Eva vertelde  later in een  interview dat ze was uitgenodigd voor een uitzending voor de WEAF radio in New York, samen met de blanke Original Memphis Five. Haar stem klonk blank genoeg om geaccepteerd te worden door het publiek. Toch nam de studio geen enkel risico om beschuldigd te worden van 'racial mixing'. Tijdens de opname werd ze door een gordijn  gescheiden van de band.

Eva met de band van Clarence Williams
Tot 1930 zong Eva in shows in alle grote theaters in New York, zoals het Apollo Theatre, Carnegie Hall, Madison Square Garden, Lincoln Theatre, Savoy Ballroom en het Harlem Casino. Haar bekenheid werd vooral groot door haar mewerking aan vele radioshows. Van 1932 tot 1933 had ze haar eigen radio programma  The Eva Taylor Crooner Show. Ook werkte ze  samen met het orkest van Paul Whiteman in The Kraft Music Hall show. Tijdens de Tweede Wereldoorlog stopte ze vrijwel met optreden en trad alleen nog op in ziekenhuizen in New York voor het Hospital Reserve Corps en in 1948 tijdens een Memorial Concert voor Bessie Smith.

Na de dood van echtgenoot Clarence Williams in 1965, met wie Eva 44 jaar was getrouwd, kwam ze naar Europa, op uitnodiging van haar Nederlandse correspondentievriendin. In 1976 trad ze, al 81 jaar oud, op in de Stampen Club (The Pawn Shop) in Stockholm. De club was afgeladen vol. Toen ze begon te zingen werd het doodstil en concentreerde iedereen zich op die kleine vrouw die met haar zang en presentatie het publiek meteen volledig wist te boeien. Haar stem was lager dan in haar jeugd, maar swingde meer dan ooit tevoren. Net als de meeste vocalisten van haar generatie was ze niet alleen zangeres, maar ook een professionele entertainer, echter zonder sterallures. Het concert werd later onder de titel Jazz at the Pawnshop op LP uitgebracht. De hoestekst luidde: 'De opnamen kunnen geen compleet beeld geven van Eva's kwaliteiten, haar dansen op het podium, haar communicatie met de muzikanten en publiek, maar ze vangen de muziek en de sfeer van een van de meest inspirerende  classic jazz concerten die ooit in een Stockholmse jazzclub hebben plaatsgevonden.'

Taylor en Williams kregen 3 kinderen. Eva overleed in 1977 op 82 jarige leeftijd in New York. Ze werd begraven naast haar man Clarence in Farmingdale New York. Haar zoon Clarence Williams Jr. is de vader van de bekende hedendaagse acteur Clarence Williams III. Het was een bijzonder voorrecht om Eva live te zien optreden in De Blokhut. Een optreden dat ik niet had willen missen.

Bronnen: Encyclopedia, Wikipedia, Ate van Delden, Wim Bor, Discogs, Sepea, Fontana Records




 







zondag 20 februari 2022

FRITS HOTZ

  • Frits Hotz is mijn favoriete Nederlandse classic jazz trombonist. Jaren geleden bezocht ik hem met slagwerker Herman Openneer, op een druilerige zondagmiddag, in zijn huis aan de Juffermansstraat in Oegstgeest. Toen we aanbelden ging de voordeur open met een trekkoord en riep een stem : "Kom maar boven." We troffen Frits aan in zijn bed met een donkere bril op en dekens opgetrokken tot aan zijn kin. Hij zei dat hij grieperig was, maar de afspraak om platen te draaien absoluut niet wilde afzeggen. Naast zijn bed stond een tafel met een platenspeler en een stapel breekbare 78-toeren platen, vrijwel allemaal van het orkest van Paul Whiteman. Ik moest vooral letten op de trombonisten Sammy Lewis en Bill Rank. Een bijzondere ontmoeting met een man die vanuit zijn bed platen draaide en die in 1997 in diezelfde kamer de P.C. Hooftprijs kreeg uitgereikt. Die bestond uit een geld̀prijs van 125.000 gulden, een beeldje en een oorkonde. Bovendien kreeg Frits een stapel cd ́s met namen van zijn lievelingsnummers uit de jaren twintig, geselecteerd door dezelfde Herman Openneer "Mooi", zei Frits, "maar ik heb geen cd-speler. Die bleek bij de prijs te zijn inbegrepen                                                  s                     .  
    1. Wie was Frits Hotz?                                                                                                                                Frits Bernard Hotz werd geboren op 1 februari 1922 in Leiden, als zoon van Anna Hoek en Jaap Hotz. Zijn ouders hadden al een dochter Atie en Frits en Atie werden onafscheidelijk. De vader van Frits organiseerde vaak dansavondjes thuis, waarbij de koffergrammofoon te voorschijn kwam. Het werd  pas echt leuk als hij uit zijn hoofd piano ging spelen, vooral nummers van George Gershwin. Zijn spel werd door zijn gasten zeer gewaardeerd onder andere door bandleider Klaas van Beek, een goede vriend van de familie. Atie en Frits moesten op die avonden vroeg naar hun kamer, maar ze bleven lang wakker en genoten van de muziek en al het geroezemoes dat uit de huiskamer kwam. Van jongs af aan was Frits gek op de platen van zijn vader. Hij hoorde voor het eerst de orkesten van Paul Whiteman en Isham Jones en bleef zijn leven lang verknocht aan de Amerikaanse dansmuziek uit de twintiger jaren. Pas op zijn tweeëntwintigste besloot hij om zelf muziek te gaan maken. Voor die tijd had niemand in de familie Hotz in de gaten dat hij daar aanleg voor had. Hij had op zijn twaalfde van zijn vader zijn eigen koffergrammofoon gekregen en van zijn oom kreeg hij de eerste platen. Frits ontwikkelde door het lezen van kranten en tijdschriften ook de liefde voor andere kunstvormen, zoals voor het schilderwerk van Piet Mondriaan. Het fascineerde hem uitermate dat Mondriaan ook van Paul Whiteman hield en dat het orkest in 1926 had opgetreden in het Kurhaus in Scheveningen, vlak bij zijn woonplaats. Daar had Frits graag bij willen zijn, maar met vier jaar was hij daar nog te jong voor. Pas veel later schreef hij samen met Herman Openneer een artikel over dit optreden in de vorm van een rijk geïllustreerde bijlage in Vrij Nederland. In 1933 speelt het orkest van Duke Ellington in het Kurhaus in Scheveningen. Frits hoorde de muziek van Ellington op de radio, maar het viel hem tegen; te droevig, te klagerig en niet in overeenstemming met de kittige, levendige dansmuziek die hij kende van zijn platencollectie. Een jaar later werd hij ziek Hij kreeg de bof, hoge koorts en ontstoken ogen. Als hij opknapt blijkt één van zijn ogen voorgoed beschadigd te zijn en moet hij zijn leven lang druppelen.

      Toen hij op de plaat Miff Mole hoorde, samen met Red Nichols, besloot hij musicus te worden. Op de mts had hij van iemand een klarinet geleend, waarmee hij in de schoolband speelde, maar hij kwam erachter dat de klarinet niet zijn instrument was. Hij koos voor de trombone na het horen van de 'luie' trombone van Sammy Lewis in That Red Head Gal van het orkest van Isham Jones. Maar hoe kom je aan een trombone? In het Leids Dagblad stond een trombone te koop. Frits scharrelde 45 gulden bij elkaar, kocht dat instrument en oefende 8 tot 10 uur per dag. Zijn grote voorbeeld was (hoe kon het ook anders) Miff Mole. Frits kon alle solo's mee neuriën en dat was dan ook alles, maar hij hield vol. Toch schoot het niet erg op, er moest iets gebeuren. Hij ging les nemen en wel bij Lodewijk Schweitzer, de eerste trombonist van het Residentieorkest. Die weigerde in de oorlog lid te worden van de Kultuurkamer en verdiende zijn geld met muzieklessen voor beginners. Schweitzer keurde zijn trombone van het merk B & F, maar was er niet enthousiast over. Frits klonk bij lange na niet zoals Miff, maar toen Schweitzer het instrument uitprobeerde klonk dat meteen goed. Het lag niet aan de trombone, maar aan de blaastechniek van Frits; hij had nog veel te leren. 

      Aan het eind van de oorlog moest Frits zijn studie afbreken. Hij liep tuberculose op. De trombone bleef in de koffer. Hij begon te lezen: Vestdijk, Van Schendel, Multatuli. Via het Zweedse Rode Kruis kreeg hij de mogelijkheid om in een sanatorium in Denemarken te herstellen. Eind 1947 kwam hij terug. Hij hoorde de de Dixieland Pipers van Eric Krans in Den Haag en schreef hem een brief waarin hij de band een compliment gaf, maar ook kritiek had op de beperkte techniek van de trombonist. Krans vatte de brief op als een voorzichtige sollicitatie. Na de oorlog bloeide de classic jazz op in Den Haag.  Naast de Haagse Jazz Club werd de Nederlandse Jazz Club opgericht, de club voor de puristen, zoals Eric Krans, Roefi Hueting en...Frits Hotz, die als invaller in enkele Haagse jazzbands al te horen was. Frits kwam ook Jan Morks weer tegen die als klarinettist bij de Dixieland Pipers speelde. In 1949 nam  Eric Krans contact met Frits op. Hij kreeg op voorspraak van Jan Morks een contract aangeboden als beroepsmusicus bij de Dixieland Pipers. Frits was er blij mee. Ze hadden veel werk voor jazzclubs en studentenfeestjes. Dat laatste beviel hem minder. Studenten hadden meer belangstelling voor bier dan voor mooie solo's.  Met de Pipers maakte Frits zijn eerste grammofoonplaat, een dubbel debuut als componist en trombonist: de Mr. Toto Stomp. Het ging goed met hem. Hij had een leuke vriendin, een vast contract bij een populaire jazzband en een bijbaantje in een bibliotheek.

      Tot ieders verbazing sloeg Frits in 1952  een nieuw contract met de Pipers af. Hij kon zich niet vinden in de stijlopvatting van orkestleider Eric Krans. Krans greep terug naar de orkesten uit New Orleans zoals King Oliver en Jelly Roll Morton, terwijl Frits een voorkeur had voor de oud blanke stijl uit New York en Chicago, een verschil in opvatting, dat ook later weer de kop op zou steken. Hij had ondertussen een grote repertoire kennis opgebouwd en was voor sommigen uitgegroeid tot Nederlands beste classic jazz trombonist. Hij had een zachte, elegante toon, duidelijk beïnvloed door de Amerikaanse trombonist Miff Mole. Regelmatig was hij bij andere Haagse orkesten als invaller te horen, zoals de populaire Dutch Swing College Band, waarmee hij goed geld verdiende. Frits legde ook contacten in Amsterdam via de Canal Street Jazz Band van de uitstekende klarinettist/saxofonist Frits Müller. Met zijn Haagse vriendengroep besloot Frits een nieuwe band op te richten. Het werden The Hotel Savoy Society Syncopeters, een verwijzing naar de syncopische jazz uit de jaren twintig en de grote luxe hotels in Amerika en Engeland waar de muziek zo populair werd. Frits had een goed gevoel voor humor, maar alles rondom de band werd met dodelijke ernst en uiterste precisie georganiseerd. Het was zijn muziek en zijn orkest met musici in smoking, met plaksnorren en haarscheiding in het midden. In 1953  traden ze op in de prachtige koepelzaal van de Haagse Dierentuin. Het HaagsDagblad noemde het optreden 'een daverende verrassing' Toch was het lastig om voor een orkest van 10 man schnabbels te regelen. Al met al traden ze slechts 4 keer in het openbaar op. Met het idee om geld te verdienen, hebben ze in 1954 nog geprobeerd in  een Zweedse jazzclub naam te maken. Dat liep uiteindelijk op niets uit. Er zijn helaas geen opnamen van het orkest bewaard gebleven.

      In december 1955 werd Frits gevraagd om trombone te spelen in  The New Orleans Seven, de succesvolle band van de Amsterdamse tubaïst Hans IJzerdraat. Hij moest er even over nadenken. Na overleg met zijn nieuwe vriendin Barbara -  het zou heen en weer reizen worden tussen Den Haag en Amsterdam - waagde Frits de stap en had het meteen  erg naar zijn zin in de band. Cornettist Hans Roty was een geestverwant. Ze gingen veel met elkaar om, hielden beiden van oud-blank en maakten beiden op dezelfde ingetogen manier muziek.  The New Orleans Seven kwam tot grote bloei. Ze hadden veel optredens en maakten 5 ep's. In 1958 wonnen ze de eerste prijs op het concours van de Nederlandse Jazz Federatie in het Kurhaus in Scheveningen. Toch speelde de oude controverse tussen de New Orleans stijl en de New York stijl weer op; een controverse die eigenlijk onzin was. Classic jazz muzikanten, ook Frits Hotz, speelden in verschillende orkesten en dat had niets met zwart of blank te maken. Het ging om de muziekstijl, binnen de classic jazz, die je het liefst speelde. IJzerdraad had moeite met het streven van Hotz en Roty om meer in de New York stijl te gaan spelen en vertrok.  Roty werd bandleider en maakte samen met Frits de nieuwe arrangementen. Publicist Herman Openneer schreef daarover: 'Het is het beste dat Frits ooit heeft gedaan. Hij was er echt op zijn plaats, volledig in zijn element. Niet als de Nederlandse Miff Mole, maar met zijn eigen unieke geluid.' Toch was er ook kritiek. Sommige arrangementen, met typische modernismen van de blanke New York stijl en zelfs met hier en daar wat tri-tonaliteit, klonken erg bestudeerd. Frits vond dat het precies zo moest klinken, zoals in de twintiger jaren. Dat ging ten koste van spontaniteit. Het publiek reageerde minder enthousiast. Het was meer muziek voor muzikanten dan voor het publiek.

      vlnr Wim de Vries, Hans IJzerdraat, Cees Dollè,Ftits Hotz

      Eind 1959 viel de NO7 uit elkaar. De leden van de band gingen of studeren of vonden een baan. Frits viel hier en daar in en schreef recensies in jazzbladen. Jazz raakte uit de mode, de rock en roll deed zijn intrede. Frits kreeg meer last van zijn long- en oogkwalen, die langzaam verergerden. Hij  zag er bovendien tegenop om nummers als Marina of het eeuwige When the Saints te moeten spelen en begon  noodgedwongen uit te kijken naar een baan buiten de muziek. Uitgerekend Hans IJzerdraat, de vroegere leider van de NO7, kwam met een oplossing. IJzerdraat had een neus voor goede muzikanten en had een nieuwe band samengsteld: The Western Jazz Group. Hij vroeg Frits op trombone. Die hapte meteen toe. Een vast contract en prima musici, waaronder een jonge veel belovende pianist:  Wim de Vries. Frits en de Vries konden het goed met elkaar vinden en schreven de arrangementen. IJzerdraat, een stugge, rechtlijnige vrijgezel, leidde de band met strenge hand. Zijn presentatie op het podium was 'zo droog als een oud gordijn'. De band nam twee singles op. In maart 1961 werd een ep opgenomen. Aanvankelijk reisde de band in het busje van IJzerdraat, waarin niet gerookt of gedronken mocht worden, door heel Nederland. De band was redelijk succesvol maar ook The Western Jazz Group ondervond de teloorgang van de oude stijl jazz. De popmuziek kwam op met de Blue Diamonds (Ramona) Peter en zijn Rockets (Kom van dat dak af) en Elvis Presley (It's now or never). In 1961 kwam er een einde aan The Group. Men ergerde zich  zo langzamerhand dood aan de leiding van IJzerdraat. Frits zette er vooral een punt achter, omdat Barbara zwanger was en in de zomer een kind verwachtte. Het betekende het einde van zijn professionele muziekloopbaan.

      Toch gaf hij de muziek niet helemaal op. In 1963 kwam hij in contact met twee leden van de Jazz Pilgrims, een amateur oude stijl orkest, dat iedere zaterdagavond speelde in caf'e-restaurant De Groote Vink op de grens van Leiden en Voorschoten. Zij vroegen hem om mee te spelen op trombone. Het waren zorgenloze optredens voor Frits. Er werd niet teveel van hem geëist. Het publiek kwam om te dansen en niet naar stijlzuivere soli en collectieven te luisteren. Hotz besteedde veel aandacht aan zijn instrument, een Conn met een kleine beker en smalle boring. Op zaterdagmiddag oefende hij zijn embouchure en werd de trombone speelklaar gemaakt. Vlak voor het optreden werd het instrument nog even goed ingeblazen. Zijn vroegere ambitie om oud-blank classic jazz te spelen had hij laten varen. De andere jongens in de band wisten nauwelijks wat dat was. Er werd lekkere dansmuziek gespeeld, zonder pretenties. Hij nam soms zijn  muzikale zoon Jeroen, die toen 12 jaar was, mee naar de Groote Vink. Jeroen vond het geweldig om zijn vader trombone te horen spelen. 

      In 1973  besloot hij definitief te stoppen met muziek maken. Spelen met de Pilgrims was leuk, maar hij vond dat een man van boven de vijftig niet meer op het podium moest gaan staan. Hij wilde geen grijsaard worden die geroutineerd dixieland evergreens stond te spelen. Stoppen met muziek was bovendien nodig om zich volledig te kunnen wijden aan de litereatuur. Hij was al langer begonnen met het schrijven van verhalen die werden gepubliceerd in het literaire tijdschrift Maatstaf. In 1975 sloot hij een contract met de Arbeiderspers. In 1976 debuteerde hij met Dood Weermiddel en andere verhalen. Er volgden meerdere verhalenbundels. In 1986 schreef hij de eerder genoemde Paul Whiteman bijlage voor Vrij Nedereland.   In 1994 kreeg hij weer contact met Wim de Vries van The Western Jazz Group die een documentaire over hem wilde maken met Cherry Duyns als interviewer. Het plan ging helaas niet door, omdat Frits op dat moment een oogbehandeling moest ondergaan. Na de toekenning van de P.C. Hooftprijs in 1997 ging het bergafwaarts met zijn gezondheid en in 1998 ging het verschrikkelijk mis. De apotheek van het Academisch Ziekenhuis in Leiden verwisselde twee flesjes oogdruppels. De verkeerde druppels veroorzaakten een vlammende pijn. Frits werd zo goed als blind. Zijn toestand verslechtigde snel. Hij bleef in bed en luisterde dag en nacht  naar de muziek van Paul Whiteman. Hij at en dronk nauwelijks meer. In 1999 werd hij opgenomen in het Diaconessenhuis in Leiden. Op pakjesavond 5 december 2000 kwam er een einde aan het leven van Frits Hotz, de unieke trombonist/auteur. In het NOS Journaal van 6 december werd zijn overlijden door Philip Freriks aan Nederland bekend gemaakt. Tijdens zijn crematie werd Wistful and Blue van het orkest van Paul Whiteman gedraaid. 

      Bronnen:

      Geluk kun je alleen schilderen. F.B. Hotz-Het leven  Aleid Truijens.                                                              Wikipedia, Platenhoezen RCA-Dureco.

      Discografie:

      The New Orleans Seven RCA o.l.v. Hans IJzerdraat

      Volume 1 - After you`ve gone, Kansas City Stomp, Charleston, Mississipi Mud                                            Volume 2- Original Slow Drag, Stomp Miss Hannah, Too Bad, Clap Hands Here comes Charlie                  Vojume 3- Riverboat Shuffle, Take Your Tommorrow, St. James Infirmary, Everybody Loves my Baby.       

      The New Orleans Seven CID-Dureco  o.l.v. Hans Roty                 

      Volume 1- Hart Hearted Hannah, 't Aint so Honey,'t aint so, Davenport Blues,Suger Foot Strut.                    Volume 2- Alabama Stomp, I'm gonna meet my sweetie now,What kind of a man is you,You took        advantage of me.

      The New Orleans Seven Dureco Dixieland Down LP selectie van 12 nummers uit bovenstaande EP's           

      The Western Jazz Group o.l.v. Hans IJzerdraat

      The Western Walk-Who's sorry now - Omega   single                                                                                      The Squirrel-Nobody's Sweetheart    - Omega   single

      Imperial EP

      Yearning, Shine, Show me the way to go home,When you and I were young Maggie                                                                                                   

      zondag 2 januari 2022

      DE AMSTERDAMSE SCHOOL


      Classic jazz speelde in Amsterdam, althans zo lijkt het, in de zestiger en zeventiger jaren een bescheiden rol. In Den Haag werd de toon gezet door de Haagse jazzclub, orkesten als de Dutch Swing College, de Down Town Jazz Band, de Dixieland Pipers en musici als Peter Schilperoort, Jan Morks, Dim Kesber en Roefi Huetink. Haarlem kende ook een oude stijl jazzclub en een festival. Aan Amsterdam ging dit grotendeels voorbij. Een oude stijl jazzfestival, zoals in Breda, is er nooit geweest. Viel er dan helemaal geen oude stijl  jazz te beluisteren ? Toch wel, maar je moest er naar zoeken. The New Orleans Seven speelde in de studentensociëteit H88 en in Lanx met o.a. Hans Roty op cornet, Gilles Mondeel op trombone, Anton Schwirtz op slagwerk en Peter Dortmund op bassax, muzikanten, die op zondagavond ook te horen waren in de Blokhut, een zaaltje aan de Hoogte Kadijk, dat doordeweeks verhuurd werd aan de Amsterdamse politie die er bokstrainingen organiseerde voor haar personeel. In de Blokhut zwaaide tante Ali de scepter, bijgestaan door slagwerker Herman Openneer die rondging met een schoteltje om 50 cent op te halen voor de zaalhuur. De Blokhut speelde vijftien jaar lang een prominente rol in het Amsterdamse oude stijl wereldje. Klinkende namen als cornettisten Etienne Francois en Hans Roty, saxofonisten Ray Gruetters en Hans Hoff, banjoïsten Dick Turksma en Ed Nieuwenhuizen , de tubaïsten Hans Ijzerdraad, Pieter Klop en Paul Habraken, banjoist/trombonist Fred Smidt, klarinettisten Pim Gras, Henk Rapange, Frits Müller en pianist Raymond Spruyt gaven beginners de kans om op het Blokhut podium een gelegenheidscombinatie te vormen en zo ervaring op te doen. Bestaande bands, zoals de Bixieland Stompers met Andor Lucaks en de Jazz- O -Matic Four met Ronald Jansen Heijtmajer en Hein Denekamp traden er ook op. De stijl in Amsterdam verschilde van de Haagse. Menig Amsterdamse muzikant had affiniteit met de geavanceerde New York stroming, terwijl de meeste Hagenezen meer in de richting van de traditionele New Orleans stijl bleven gaan. Dat ging zover dat het leidde tot een schisma binnen de Amsterdamse topband The New Orleans Seven. Leider Hans IJzerdraad ging verder met The Western Jazz Group, terwijl Hans Roty doorging met The Seven en de 'blanke' afslag nam naar New York met nummers als You Took Advantage of Me en What Kind of Men Are You. Merkwaardig genoeg bleef hij de band ThNew Orleans Seven noemen, The New York Seven was logischer geweest. Hoogtepunten in het bestaan van de Blokhut waren het optreden van zangeres Eva Taylor in 1967 en dat van trombonist Bill Rank in 1968 en 1969. Begin jaren zeventig werd het pand verkocht, omdat er nieuwbouw zou plaatsvinden;  tante Ali nam afscheid.

      De sluiting van de Blokhut had meerdere initiatieven tot gevolg. Er werden drie nieuwe jazzbands samengesteld: De Dixie Damslapers (Amsterdamser kon het niet) de Animal Crackers en The Joseph Lam Jazzband.Tevens werd er met steun van de Heineken brouwerij een nieuwe jazzclub geopend, de Joseph Lam Jazzclub, eerst op de Laagte Kadijk en twee jaar later in de Van Diemenstraat. De club was een initiatief van Blokhutgangers Ray Gruetters en Hans Hoff. Ze waren van mening dat na de sluiting van de Blokhut er weer zo snel mogelijk een traditioneel jazzpodium moest komen voor zowel muziek- als dansliefhebbers. Het werd een groot succes. De club, met een capaciteit van 400 bezoekers, was het hele jaar door de week open en te huur voor feesten en partijen. Op vrijdagavond trad het huisorkest The Joseph Lam Jazzband, onder leiding van trompettist Dick Spieker De opening viel samen met de oprichting van de Amsterdamse Jazzclub. Op zaterdagavond werden binnen-en buitenlandse jazzbands gecontracteerd, zoals het Franse toporkest Charquet en uit Nederland Andors Jazzband. Op zondagavond waren er jamsessions, net als in de Blokhut.

      In de Korte Leidse Dwarstraat was de Bamboo Bar van Hans Gruyters actief. Gruyters, een D66 politicus en jazzliefhebber, contracteerde de pas opgerichte Animal Crackers voor zijn bar in Amsterdam. De band bestond uit Etienne Francois-cornet, Reginald Gruetters-altsax (later Herman Bruggink -klarinet) Dick Turksma-banjo, Herman Openneer-wasbord en Gijs Horstink-tuba. De Animal Crackers, de band zonder stekkers, werd zeer populair, omdat ze oude stijl jazz speelden met zoveel humor dat ze de leukste jazzband van Nederland werden genoemd. Amerikaans repertoire werd voorzien van eigen gemaakte humoristische Nederlandse teksten. Ze traden op in originele Amerikaanse vintage kleding. Hun grappen waren onnavolgbaar tot groot plezier van een enthousiast publiek, dat zo op speciale wijze kennis maakte met oude stijl jazz.Veel is nog te vinden op vinyl en op Youtube (Tante To heeft radio, Ruitenheer, De Teddy Hop) Een unieke Amsterdamse band !

      Een ander bijzonder initiatief  kwam van Frithjof Sterrenburg, een Amsterdamse trompettist/ saxofonist die in The Western Jazz Group van tubaist Hans IJzerdraad speelde en ook regelmatig in de Blokhut te horen was. Hij richtte in de tweede helft van de jaren zestig een eigen orkest op bestaande uit acht ervaren Amsterdamse classic jazz muzikanten: Charley's Novelty Orchestra The Crwths. Ze speelden een selectie uit het repertoire van Amerikaanse twintiger jaren bands, opnieuw professioneel gearrangeerd door Sterrenburg. Doordat verschillende orkestleden meerdere instrumenten bespeelden, leverde dat een groot aantal variaties in de arrangementen op. Wistful And Blue, een hit van het orkest van Paul Whiteman, kon bijvoorbeeld met drie trombones worden gespeeld. Het succes was zo groot dat besloten werd een eigen jazzclub op te richten. Maandelijks werden er concerten gegeven in de prachtige Zuilenzaal van Felix Meritis aan de Keizersgracht in Amsterdam. Het club lidmaatschap kostte 3 gulden per jaar voor twee personen. De toegang was f 1,50 en de consumpties een gulden. Het Parool en Vrij Nederland schreven lovende recencies, waardoor het aantal bezoekers flink toenam. In 1967 nam de band een EP op. Trombonist Massimo Götz was een grote bewonderaar van de Amerikaanse trombonist Bill Rank, die deel had uitgemaakt van het orkesten  van Jean Goldkette, Paul Whiteman en Bix and the Gang. Massimo stuurde hem een testkopie van de EP op en ontving het volgende commentaar: 'Your band sounds very good and the solos of trumpet, clarinet and piano are excellent. The style of the arrangments is very much like our original records, your arranger did a very good job' Dit contact leidde in 1967 tot een bezoek van Rank aan Amsterdam. Zijn eerste optreden was op zaterdag 13 juli 1968 in Charley's Club. In de Zuilenzaal werd een opname gemaakt van That's my Weakness Now die later is uitgezonden door Pim Gras in zijn radioprogramma 'Jazz uit het Historisch Archief'. Bill nam de eerste solo en speelde de sterren van de hemel. In de zomer van 1969 keerde Rank terug in Amsterdam en speelde opnieuw voor 250 bezoekers in Charley's Club. Op Youtube is een filmpje te vinden over deze bezoeken aan Amsterdam onder de titel Bill Rank in Nederland. Zeer de moeite waard!

      Charley's Club hield in de zeventiger jaren op te bestaan. Geleidelijke sloten ook de andere jazzclubs in Amsterdam. De popmuziek kwam op, het publiek vergrijsde en classic jazz werd een 'special interest ' muziekje voor een steeds kleiner wordende doelgroep. Amsterdam kent vandaag de dag geen dergelijke jazzclub meer, in tegenstelling tot Den Haag. Jammer, want de hoofdstad had eerder bewezen een partij mee te kunnen blazen. Soms werd er gefluisterd dat een clubrevival met zulke mooie, vrolijke muziek toch mogelijk zou moeten zijn in bijvoorbeeld gelegenheden als Café Amsterdam, Wildschut  of Witteveen. Wie durft?

        











      woensdag 17 november 2021

      DE JONGE JAREN


      Red Nichols


       Als je kijkt naar de geboortedata van de topmuzikanten uit de twintiger jaren, zoals bijvoorbeeld Red Nichols, Jack Teagarden en Bix Beiderbecke, allen geboren rond 1905, dan is het opvallend dat ze op jonge leeftijd al de top in hun vak hadden bereikt.Vaak kwamen ze uit een muzikale familie en kregen ze een gedegen muzikale opleiding. Nichols kreeg op 5-jarige leeftijd trompetles van zijn vader, die docent was aan een muziekschool. Op 12-jarige leeftijd speelde hij in de brassband van zijn vader. Op zijn zeventiende maakte Red Nichols zijn eerste plaatopname. Hij was net zo goed in muziek lezen als in improviseren, klaar voor een lange carrière in de Amerikaanse entertainmentbusiness. Klaar voor een nieuwe muziekvorm: de jazz, de nieuwe muziek van de jeugd. Overal werden jazzbands opgericht, nieuwe vormen van dans ontstonden en jazz werd de popmuziek van de Roaring Twenties.

      Hoe was dat in Europa? Via de grammofoonplaat en de bladmuziek bereikten de eerste tonen van deze nieuwe trend ons werelddeel. In Engeland trad al in 1917 een Amerikaanse jazzband op, de Original Dixieland Jazzband , De nieuwe muziek werd ook in Londen een rage. En in Nederland? Voor de Tweede Wereldoorlog waren er enkele bestaande dansorkesten die jazznummers in hun repertoire opnamen. Het bekendst werden The Ramblers die in de twintiger jaren van start gingen in een dixieland bezetting en daarmee plaatopnamen maakten. De grootste populariteit ontstond na de oorlog, toen de muziek mee kwam met de geallieerden. Hoewel de jaren vijftig te boek staan als een rustige periode, waarin de wederopbouw en de geur van spruitjes hand in hand gingen, was de revival van de jazz onmiskenbaar. Het leidde zelfs tot rellen, waarbij in Tivoli Utrecht, bij een optreden van de The Rivertown Dixieland Jazz Band de stoelen door de lucht vlogen en de politie de zaal moest ontruimen. Het is haast niet meer voor te stellen maar dixieland was de muziek van de jongeren. Daar kon je op dansen, swingen en sjansen. De behoefte daaraan was na de oorlog erg groot! Er werden overal jazzbands opgericht. Den Haag werd het centrum, maar ook in Brabant en de IJsselstreek en andere provincies werd jazzmuziek populair. In de slipstream van de Dutch Swing College Band ontstond de eerder genoemde The Rivertown Dixieland Jazz Band bestaande uit muzikanten uit Zutphen en Deventer. Na het winnen van het prestigieuze Loosdrecht Jazzconcours in 1961 verwierven zij nationale bekendheid. De band kreeg een platencontract bij Phonogram en verscheen regelmatig op radio en televisie, onder meer als begeleidingsorkest van zangeres Anneke Grönloh.

      vlnr: H.Kip, P.Vromen, H.Bruggink
      In Zutphen, waar ik vandaan kom, wisten weinig mensen iets van jazz. Behalve dan de leerlingen van het naast elkaar staande Baudartius en Stedeliijk Lyceum. Zij vormden  de Spanish Gate Jazz Group, genoemd naar de Spaanse Poort die midden tussen de lycea stond als overblijfsel van de stadsmuur uit de middeleeuwen. Geïnspireerd door de Rivertown, de Dutch Swing College en Bix and the Gang verzorgde de band twee jaar lang (1962-1963) de muziek voor de schoolfeesten. Bezetting, naast mijn rol als beginnend trombonist: Paul Vromen cornet, Herman Bruggink, de latere klarinettist van de Amsterdamse Animal Crackers, Karel Bosch-piano, Henk Hemmes-banjo, Marius van Pelt-bas en Ronnie Meijboom-slagwerk  

      vlnr: G.Hondelink,H.Kip, T.van Huizen, Achter: T.Hartgens, 
      K.Kanaar, J. Roelvink
      In dezelfde periode promoveerden Ronnie Meijboom en ik naar de Carpet Town Jazz Band uit Deventer. Geen schoolband maar een echte jazzband met een manager. Als huisrkest van Hotel de Wereld in Deventer traden we iedere zondagmiddag op voor een enthousiast jong danspubliek.Vaste bezetting: Teun Hartgens-trompet, Gerrit Hondelink-klarinet, Hans van Tongeren- piano, Jan Roelvink-banjo, Tako van Huizen-bas en Frans Kanaar (latere vervanger van Ronnie Meijboom) en ik als trombonist. Manager Harry Groot-Hulze regelde een zaaloptreden met Willeke en Willy Alberti (dat kostte ons geen moeite) en een studio-optreden voor de Vara radio microfoon in 1964/1965. Trompettist Teun Hartgens ambieerde een full-prof carrière in de muziek, maar koos later toch voor een opleiding en functie bij een bank. Hij werd manager van de Bondsspaarbank in Deventer. In 1986 kwam hij helaas bij een bankoverval om het leven. De overvaller kreeg een levenslange gevangenisstraf.

      vlnr:J.deWit.W.Roozeboom,B.vanGinkel
      W.Lubbers,G.Emsbroek,H.Kip 
        
      In 1965 zat ik weer in een 'schoolband'. Dit keer in het Nijenrode Castle Combo, het studentenorkest van het Nederlands Opleidngsinstituut voor het Buitenland in Breukelen. Met dit combo wonnen we het concours voor Nederlandse studentenorkesten. De hoofdprijs was meevaren als scheepsorkest met de 'Groote Beer' van de Holland-Amerika Lijn naar New York. Bezetting: John de Wit-vocalist, Willem Lubbers-gitaar, Willem Roozeboom-basgitaar, Gerrit Emsbroek-piano en Bob van Ginkel-slagwerk. We speelden van alles wat: van toenmalige tophits tot dixieland. Dat viel niet altijd mee, spelen op een zwabberend podium, voor bier drinkende studenten, 12 dagen en 12 halve nachten lang. Ik zal de aankomst om 6 uur 's morgens in New York Harbour, varend langs het het Vrijheidsbeeld en Ellis Island, nooit vergeten. Een unieke ervaring!

      voor: E. Kramer,R.J.Heijtmajer,G.de Leeuw,G.Nielsen,midden
      V.Varekamp, B.van Oort,G.Schennink,achter J.Dokter, H.Kip,.F.Kockelmann

      Terug in Nederland kreeg ik de uitnodiging om als trombonist toe te treden tot een oude stijl  toporkest in Nederland de Training College Jazz Band. Weer een schoolorkest? Jazeker, maar ook een absolute topper. De band werd door Jan Dokter opgericht in 1956 als huisorkest van de Rijkskweekschool in Doetinchem en groeide uit tot een van de beste oude stijl jazzbands van Nederland. Op alle jazzconcoursen in Duitsland en Nederland werden finaleplaatsen behaald. De bezetting was: Jan Dokter-trompet, Gert Brouwer-klarinet, Ernst Krämer-saxen, Guido Nielsen-viool, Bert van Oort-banjo, Gerard Schennink-tuba, Gerrit de Leeuw-piano, Frits Kockelmann-slagwerk en Hans Kip-trombone. In 1968 kwam een EP uit die in het blad van de Haarlemse Jazzclub zo'n  lovende recensie van trombonist Frits Hots kreeg, dat we daar vandaag de dag nog heel trots op kunnen zijn. In 1971 werd de Nationale Dixieland Trofee in Geleen gewonnen. In 1973 kwam de LP Eye Like Music uit met als gasten zangeres Victoria Varekamp en saxofonist Ronald Jansen Heijtmajer. 

      Ondertussen verschenen er donkere wolken aan de dixiehemel. Andere muzieksoorten werden populair ten koste van de dixieland. Rock-'n-roll overleefden de Dixielanders nog wel, maar tegen The Rolling Stones en The Beatles waren ze niet opgewassen. De jeugd viel in de jaren zestig en bloc voor beatmuziek, later pop en rock geheten. Er werd nog wel dixieland gespeeld, maar alleen ouderen, voor wie het de muziek uit hun jeugd was, liepen er nog warm voor. De muziek was uitgewerkt en te vaak een herhaling van zetten. Dixieland kreeg een wat negatieve klank. 

      Heden ten dage is classic jazz, zoals je het beter kunt noemen, 'special interest' muziek geworden, net als bijvoorbeeld het Franse chanson of de Portugese fado. Live is classic jazz alleen nog te horen in enkele schaars overgebleven jazzclubs en op festivals, waar alleen de echte liefhebber er nog plezier aan beleeft. Ook het aantal bands is drastisch verminderd. Geen van de bovengenoemde bands bestaat nog. Op internationaal niveau zijn bijvoorbeeld Chris Barbers Big Band en Tuba Skinny nog actief. In Nederland  o.a. de Dutch Swing College Band en Andors Jazz Band. Gelukkig hebben we de platen nog! 

      Bron : Clarinet Shuffle, Henk Kleingeld 2010





      vrijdag 15 oktober 2021

      THE PERSONALITY GIRL

      Over de twintiger jaren van de vorige eeuw is veel positiefs geschreven, wellicht meer dan over welke andere periode uit de twintigste eeuw dan ook. In de literatuur zijn omschrijvingen te vinden als de Roaring Twenties, het Gouden tijdperk, The Sweet Twenties en the Morning After Period, verwijzend naar het ongebreidelde optimisme dat volgde na beëindiging van de Eerste Wereldoorlog en dat aanhield totdat alles eind 1929 op Wallstreet in elkaar klapte. De mensen aan beide zijden van de Atlantische Oceaan waren bezig de stukjes van hun door The Great War kapot geslagen leven weer samen te voegen tot een redelijk geheel. Sommigen begonnen om in het nieuws te komen weer opvallende dingen te doen, zoals zwemmen over het Kanaal en vliegen over de Atlantische Oceaan. De jeugd ontdekte een nieuwe muziek die jazz werd genoemd. Clubs en danszalen liepen vol. De grammofoonplaat begon zijn opmars en was niet meer weg te denken. Radio volgde, de Jazz Age was begonnen !

      Aan het begin van dit rumoerige tijdperk werd in New York op 18 oktober 1901 Catharine Annette Hanshaw geboren. Haar ouders waren vaudeville-artiesten, waardoor ze al heel jong kennis maakte met de entertainment wereld. Toch wilde zij die richting niet op. Ze ging naar de kunstacademie om zich te bekwamen in portretschilderen. Zingen deed ze in het hotel dat haar vader later had gekocht. Daarbij bleek dat ze een prachtige zachte, maar heldere zangstem had. In het hotel werd ze gehoord door een platenbaas bij Pathé Records, Herman 'Wally' Rose.Hij was erg onder de indruk van Annette en haalde haar over om een testplaat te maken. Annette was een mooie jonge vrouw met een prachtig figuur en grappige kuiltjes in haar wangen. Rose besefte dat hij kennis had gemaakt met een potentiële ster en steunde haar in de ontwikkeling van haar carrière. In 1926 maakte ze haar eerste plaatopname en door haar medewerking aan verschillende radioprogramma's werd ze al snel heel populair in Amerika. Begeleid door New Yorkse topmuzikanten zoals Red Nichols op cornet, Miff Mole op trombone, Jimmy Lytell op klarinet en Irving Brodsky op piano maakte ze de ene hit na de andere. Met nummers als Black Bottom, Do-Do-Do, Am I Blue en I've Got A Feeling I'm Falling werd ze al snel heel populair. In 1929 werd ze gecontracteerd door Columbia en werden haar platen door de verbeterde opnametechniek plezieriger om naar te luisteren. Haar kalme, ontspannen, melodische manier van zingen gaf de begeleidende muzikanten de kans om van de nummers 'hot jazz classics' te maken. Annette hield de melodie altijd vast om slechts daar waar het kon mee te buigen met de soms gecompliceerde arrangementen van de begeleidende jazzbands.

       Het resultaat overtrof alle verwachtingen. Voordat ze het zich realiseerde, was ze Amerika's eerste pop idool. De bladmuziek met haar foto op de voorpagina was niet aan te slepen. En dat terwijl ze zo weinig mogelijk in theaters optrad, geen rollen vervulde in Broadwayshows en geen films maakte. Radio en platen maken waren veel geschikter voor haar. Annette was van nature erg verlegen en had enorme plankenkoorts. Haar relaxte zangstijl met hot jazz begeleiding was voldoende om haar een ongekende populariteit te verschaffen. Deze 'laid-back' zangstijl , die heel gemakkelijk leek, maar heel moeilijk was uit te voeren, werd in die tijd ook door Bing Crosby met het orkest van Paul Whiteman toegepast. Annette was op haar best in de opnamestudio. Ze kon het uitstekend vinden met de muzikanten en had groot respect voor hun prestaties. Zelf was ze heel onzeker over haar capaciteiten als vocaliste. Er was constant angst dat ze een verkeerde noot zou zingen of dat ze halverwege een opname zou moeten hoesten. Blij dat het er op stond riep ze na één van haar eerste plaatopnamen opgelucht: "That's all". De Pathé Studio besloot deze kreet voortaan aan het eind van al haar nummers toe te voegen.

      Luisteren naar haar eigen platen deed ze nauwelijks. Ze trouwde in 1934 met de man die haar ontdekte: Herman 'Wally' Rose. Ze maakte 250 studio opnamen en daar werden vanaf begin 1926 tot eind 1936 miljoenen platen van verkocht. Herman trad op als haar manager. Hij gebruikte voor Annettes naam diverse pseudoniemen om gedoe met contracten en auteursrechten te voorkomen.Van 1932 tot 1934 kreeg ze haar eigen radioshow, onder de titel The Personality Girl. Door die shows kreeg ze enorme bekendheid onder andere met We Just Couldn't Say Goodbye, de hit uit de musical Showboat. In 1934 werd ze via een Radio Star enquête de 'Best Female Popular Singer' en werd Bing Crosby de 'Best Male Popular Singer'. In 1936, moe van de showbusiness, trok ze zich terug en nam een kantoorbaantje om zich geheel te wijden aan haar rol als Mrs. Herman Rose. Haar echtgenoot overleed in 1954. Een jaar later maakte haar platenmaatschappij opnieuw een aantal proefopnamen die moesten bewijzen dat ze het zingen nog niet was verleerd. Men hoopte op een comeback maar ze sloeg een aanbod af. Het was financieel niet nodig en bovendien had ze meer dan genoeg van de showbusiness. In 1975 hertrouwde ze met een zekere Herbert Curtin. In een radio interview in 1978 bekende ze dat ze haar plaatopnamen nooit meer had gedraaid en bleek ze uitermate kritisch te zijn over haar eigen prestaties. Stomverbaasd was ze toen ze hoorde dat verzamelaars 35 dollar voor haar 78 toeren platen neertelden. In 1984 werkte ze nog mee aan een radio-interview, waarin ze praatte over haar leven en haar carrière.

      Annette Hanshaw overleed in 1985 aan kanker na een lang ziekbed in het New York Hospital. In haar thuisland Amerika was ze totaal vergeten (typisch Amerikaans*). In Engeland daarentegen bracht zangeres Janice Day op het classic jazz festival van Whitley Bay in 2016 veel van haar werk opnieuw ten gehore. In Nederland had zangeres Zenja Damm een aantal Hanshaw nummers op haar repertoire. Gelukkig zijn veel opnamen en de radio interviews vandaag de dag via Youtube te beluisteren. "That's all".

      * In Frankrijk lag in 1963, tijdens de begrafenis van Edith Piaf , heel Parijs plat.

      Bronnen:

      - Fountain Records: The recordings of Annette Hanshaw                                                                               
      - Sandy Brown: Annette Hanshaw                                                                                                                  
      - David Soren: Annette Hanshaw                                                                                                       
      -  Scott Janow: Classic Jazz                                                                                                      
      - ASV Living Era Lovable & Sweet Cd.










      vrijdag 14 mei 2021

      The Dutch



      Na de Tweede Wereldoorlog werd de revival van de classic jazz in verschillende Europese landen in gang gezet door de oprichting van vele revival jazzbands. Door de oorlog was de ontwikkeling van jazzmuziek tot stilstand gekomen. In Nederland waren de Ramblers al in de twintiger jaren begonnen naar voorbeeld van Amerikaanse bands, waarvan de grammofoonplaten ook in Nederland verkrijgbaar waren. Naast de Ramblers waren veel bands tot aan het uitbreken van de oorlog actief in clubs, danszalen, restaurants en op festivals. In het tijdschrift De Jazzwereld waren deze ontwikkelingen goed te volgen. In Amerika was classic jazz, zoals het in de twintiger jaren was ontstaan, wat verder naar de achtergrond geraakt. Grotere orkesten, ondersteund door de radio, maakten hoofdzakelijk commerciële dansmuziek; een ontwikkeling waaraan vele, vaak goed opgeleide, beroepsmuzikanten om financiële reden deelnamen. De jazz, dat wil zeggen de geïmproviseerde muziek, sloeg een nieuwe vrijere richting in: de bebop. Daarnaast werd er vooral in studentenkringen terug gegrepen naar de basis, terug naar het begin. Een aanstekelijke, ontspannen vorm van muziek, zoals die in de twintiger jaren werd gespeeld en jazz (jass) werd genoemd. De revival was begonnen, ook in Nederland.

      Amateurmusici, zoals  Peter Schilperoort, Frans Vink, Joost van Os, Joop Schrier, Eddie Hamm en andere jonge jazzbeoefenaars waren goed op de hoogte van wat er in Amerika gebeurde. Klarinettist Peter Schilperoort had begin 1945 al een kwartet met drummer Tony Nüsser, pianist Frans Vink en bassist Henny Frowein dat speelde in de stijl van Benny Goodman. Het wachten was op de bevrijding. Er was al een afspraak om zo gauw die een feit was in het openbaar te gaan optreden in restaurant  St. Regis in Den Haag. Op 5 mei 1945 was het zover. Daarna volgden talrijke optredens voor de Canadese en Binnenlandse Strijdkrachten. Het kwartet werd uitgebreid met trompetist Joost van Os, trombonist Bill Brant en gitarist Otto Gobius. Al snel kreeg de band bekendheid onder de naam: Orchestra of The Dutch Swing College. De naam College was doelbewust gekozen, omdat men onderricht wilde geven over jazzmuziek via grammofoonplaten, lezingen, radio uitzendingen en concerten. De stijl van de band was enerzijds gericht op de composities van Duke Ellington, anderzijds op die van de Chigago bands. De band speelde ook voor Radio Herrijzend Nederland. De vaderlandse pers begon steeds meer belangstelling te tonen. Pianist Frans Vink verliet de band, omdat hij zich helemaal op de fotografie wilde toeleggen. Met diens vertrek verdween ook de Ellington-invloed uit het Swing College. Vink werd opgevolgd door pianist Joop Schrier en Peter Schilperoort was nu alleen aan de leiding. Wie was Peter Schilperoort? 

      Peter werd geboren in Den Haag op 4 november 1919 en kreeg eerst pianoles, maar leerde zichzelf later verscheidene andere instrumenten te bespelen. Toen hij zestien was werd hij opgenomen als gitarist in de band van de Dalton-HBS in Den Haag, de school waar zijn vader directeur van was. Peter kocht voor 17,50  gulden een klarinet in een muziekwinkel en leerde spelen van de klarinettist uit de schoolband. Na de MTS in Haarlem kwam hij in 1938 via gitarist Otto Gobius in contact met de Haagse band The  Bouncers en een jaar later met de Swing Papa's, een semi-professioneel orkest, dat in de Chicago stijl speelde en nationale faam genoot. Schilperoort maakt zijn eerste plaatopnamen met deze band. In de oorlog nam de belangstelling voor de Papa's af;  Jazz was door de Kultuurkamer niet toegestaan en Schilperoort nam zijn toevlucht tot hawaii muziek ensembles. In 1941 was hij begonnen aan een studie werktuigbouwkunde aan de TH in Delft. In 1943 weigerde hij de door de Duitsers verplichte loyaliteitsverklaring te ondertekenen, waardoor hij zijn studie moest onderbreken. Hij werd beroepsmuzikant in het orkest van Klaas van Beek. Met huisgenoot Frans Vink werden plannen gemaakt voor een jazzinstituut  na de oorlog. Schilperoort moest de laatste maanden van de oorlog van alles aanpakken om in zijn levensonderhoud te voorzien. Naast zijn baan als beroepsklarinettist gaf hij klarinetles en werkte hij onder meer in de Haagse Centrale Keuken. 

      Onder leiding van Peter Schilperoort ontwikkelde de band zich snel. Een half jaar lang kon er worden gespeeld in de Canada Club in Apeldoorn. Het eerder geselecteerde repertoire kon in praktijk worden gebracht. In 1946 nam de band deel aan het Internationaal Jazz Concours in het Panthéon Theater in Brussel, georganiseerd door de Hot Club Belgique. The Orchestra of the Dutch Swing College won vijf verschillende prijzen waaronder beste orkest, beste solist en beste klarinettist van het hele concours.                 (P. Schilperoort). In 1947 hoorde Peter het Franse orkest van Claude Luter dat duidelijk de richting van de authentieke New Orleans stijl had gekozen. Daarop besloot Schilperoort dat voorbeeld te volgen. Goed ingestudeerde collectieven, afgewisseld door vrije soli, werden kenmerkend voor de stijl van Schilperoort's Dutch Swing College Band. De DSC kreeg vaste engagementen voor de AVRO radio en de eerste uitzending voor de Wereldomroep werd een groot succes. In 1948 werden de eerste opnamen voor het Decca platenlabel gemaakt.  Het jazzinstituut dat Schilperoort in het begin voor ogen stond, raakte op de achtergrond. De band, met dezelfde naam, oogstte daarintegen steeds meer successen. Er werden tournees gemaakt naar  Engeland en België. In Engeland werden opnieuw plaatopnamen gemaakt en  bekende solisten als Sidney Bechet, Hot Lips Page, Albert Nicholas en Nelson Williams traden op met de band. In 1952 werd de zevende verjaardag van de DSC band gevierd met het eerste live-optreden van een Nederlands jazzorkest op televisie.

      Formeel had de band nog steeds de amateurstatus. De meeste leden studeerden nog. Ook Schilperoort pakte in 1953 zijn studie werktuigbouwkunde weer op en behaalde in 1956 zijn ingenieursdiploma. Ondertussen trad hij in dienst van Fokker om in 1959 weer zijn ontslag te nemen. De routine van een  achturige werkdag beviel hem niet, ondanks zijn fascinatie voor de luchtvaart. Hij ging zich bezighouden met fotografie en zeilen en viel als freelance muzikant ook in bij de DSC band, die ondertussen was doorgegaan onder leiding van pianist Joop Schrier. Toen deze voorstelde om van de DSC band een beroepsorkest te maken en zo te profiteren van de dixielandstorm  (I scream, you scream, we all scream for Ice Cream) die vanuit Engeland kwam overwaaien, was Schilperoort graag bereid om de leiding van de band weer over te nemen. De bezetting bestond nu naast Peter Schilperoort uit beroepsmusici (Oscar Klein-cornet, Dick Kaart-trombone, Jan Morks-klarinet, Arie Ligthart- banjo, Bob van Oven-bas en Martin Beenen-slagwerk). Een gouden tijd brak aan. Naast de bekende Europese podia volgen tournees naar alle werelddelen. In 1963 weigerde de band een Edison in de categorie 'Instrumentaal', omdat het in de categorie 'Nederlandse Jazz' had moeten zijn. Veel fans uit de trouwe DSC aanhang hadden respect voor dit standpunt. Tussen 1963 en 1967 was de DSC band het huisorkest op radio Veronica. Gastsolisten Billy Butterfield, Jimmy Witherspoon, Teddy Wilson en accordionist Johnny Meyer leverden met de band uitstekende muzikale prestaties. Na de breuk met Philips keert het tij. De band bracht een eigen platenlabel uit, dat mislukte door de voortdurende distributieproblemen. DSC platen waren niet voldoende verkrijgbaar in de platenzaken. Schilperoort had verkeerde adviezen opgevolgd. In 1968 verlieten Oscar Klein, Martin Beenen en Jan Morks het orkest. Het was een publiek geheim dat de karakters van Morks en Schilperoort teveel botsten. Schilperoort was een man van tegenstellingen, een perfectionist als het om muziek ging maar lastig in de omgang. Voor zijn omgeving was het niet altijd makkelijk om met hem op te trekken. Klarinettist Bob Kaper volgde Jan Morks op. Schilperoort kreeg problemen met zijn gezondheid, eerst met de spieraanhechtingen aan zijn vingers, later met een virusaandoening. In het midden van de jaren tachtig stopte hij met spelen en verliet hij de DSC band. Zijn rol werd overgenomen door Bob Kaper, die een verjonging in de bezetting realiseerde en een wat minder authentieke stijl hanteerde. In 1990 overleed Peter Schilperoort. In  het jaar 2000 stelde Bob Kaper een geheel nieuwe band samen, die uitgroeide tot een een achtmans bezetting, zoals die in de vijftiger jaren was begonnen. Het werd geen kopie, maar een wat gladdere mainstream stijl om te trachten een groter publiek te bereiken.

      De laatste jaren werd het steeds moeilijker om als traditionele jazzmuzikant aan de kost te komen. De doelgroep werd steeds kleiner en vergrijsde sterk. Het aantal jazzclubs en jazzfestivals nam steeds af en de media schonken nauwelijks of geen aandacht aan deze muzieksoort. Classsic jazz is special interest muziek geworden, maar de Dutch Swing College Band bestaat nog steeds! De bezetting is teruggebracht tot zes topmusici, klarinettist Bob Kaper nam in mei 2020 afscheid. De rest (Kees Jan Hoogeboom op trompet, David Lukacs op klarinet, Andy Bruce op trombone, Peter Kanters op gitaar, Adri Braat op bas en Anton Burger als slagwerker) zet de traditie voort als de langst bestaande professionele oude stijl  jazzband ter wereld, met nog steeds een trouwe groep volgelingen sinds 1945. Dutch Swing College, nog veel succes in de toekomst !


                                                      


       








       

      donderdag 1 april 2021

      ANDOR


      Het moet eind 1978 geweest zijn toen ik een uitnodiging kreeg om als trombonist te komen spelen in Andor's Jazzband, een negenmans formatie met een repertoire van 'small bigband jazz from the twenties' zoals aangeduid op het visitekaartje van de band. Andor Lukacs maakte in die tijd deel uit van een groep Amsterdamse oude stijl jazzliefhebbers die op zondagavond in de Blokhut bij elkaar kwamen om muziek te maken (zie Tante Alie blog 12-2-2019) Hij speelde eerst als banjoïst bij de Bixieland Stompers, maar toen dat stopte en hij was verhuisd naar Breda, kreeg hij het idee om met een selectie uit de Blokhut en de Roaring Twenties Club Breda een nieuwe band samen te stellen. In het begin was er alleen sprake van een gelegenheidsformatie, waarmee in de RTCB Club in Breda op 14 april 1979 voor het eerst werd opgetreden. Etienne Francois, Leo Sluimers, Hans Kip en Herman Openneer waren er toen al direct bij. Andor was de bandleider. Hij bepaalde de definitieve bezetting, het repertoire, organiseerde de optredens en onderhield de contacten met de clubs. Er werd nog niet gewerkt met uitgeschreven partijen, alleen de volgorde van de collectieven en de solo's werden proefondervindelijk vastgesteld. De eerste drie jaar werd er alleen in Nederlandse jazzclubs en festivals gespeeld en met een min of meer vaste bezetting. In 1983 werd het pas echt serieus, nadat er uitnodiging  kwam voor een optreden in de Cotton Club in Hamburg. Plotseling moest er van alles worden geregeld. Vervoer, overnachtingen, maaltijden, speellijsten, promotiemateriaal, brieven en contracten in vreemde talen, financiën en last but not least de bandbezetting. Was de vaste negen mans bezetting wel zo vast als het leek? Was iedereen wel in de gelegenheid om zomaar een aantal dagen naar het buitenland te vertrekken? Etienne Francois was meteen al verhinderd en werd vervangen door Ad Houtepen uit Breda. Na een afspraak ergens in midden Nederland, werd er met twee auto's in sneltreinvaart koers gezet naar Hamburg. Daar inchecken in Hotel Adria Hof, snel wat eten en door naar de Cotton Club. Daar werd de band als volgt aangekondigd:
      "Heute abend spielt für Sie Andor's Jazzband  mit viel Spass wunderschönen Hot Dance und Jazz. Musik aus den Jahren 1922-1929, bekannten und schon vergessen Melodien aus nostalgischen schellack Zeiten."


      De Duitsers vonden het prachtig. Auf Wiedersehen! Dat gebeurde dan ook Op zaterdag 5 januari 1984 was de band terug in Hamburg met op de zondagmorgen daarna een  Frühschoppen concert in de Buchholzer Schützenhalle. Het kwam er eigenlijk op neer dat de amateur status moest worden omgezet naar een semi- professionele status.Ging dat wel met gezin, werk en het spelen in andere orkesten? Andor kreeg veel te regelen. Je zou denken dat hij een aantal taken aan andere bandleden zou willen overlaten. Delegeren? Dat stond niet in zijn woordenboek. Hij wierp zich, naast de muzikale taken, met al zijn energie op alle andere aspecten van het runnen van een jazzband, die op het punt stond Europa te veroveren. In datzelfde jaar werd in clubs en festivals 23 keer in Nederland opgetreden. Andor ging ondertussen door met het leggen van contacten. Vooral in Midden- en Oost- Europa, waar hij via zijn werkgever Unilever relaties had,  wierpen die contacten, ook voor de band, vruchten af. In een interview in de Jazz Pocket van april 1984, het huisorgaan van de Haarlemse Jazzclub, zei hij daar zelf het volgende over:

      "Wie in de jaren 1960-1975 oude stijl jazz wilde spelen kon op zondagavond terecht in de Amsterdamse Blokhut waar oud en jong talent tijdens jam sessions verwoed hot jazz probeerde te spelen met redelijk tot dikwijls prima resultaat. Een hele Amsterdamse generatie jazzmuzikanten heeft daar levendige en onuitwisbare herinneringen aan. In 1978 bracht ik een groep ervaren oude makkers bij elkaar om op dezelfde ongecompliceerde Blokhut manier classic jazz te maken. Omdat ik van tevoren wist dat er van repeteren niet al te veel terecht zou komen, moest de bezetting bestaan uit zeer ervaren muzikanten, die in staat waren goed naar elkaar te luisteren en bekend waren met een uitgebreid twintiger jaren repertoire, dat ze zonder veel moeite konden spelen. Zo ontstond er een 9-mans orkest met twee kornetten, een trombone, twee saxen, piano, banjo, sousafoon en banjo. Etienne Francois (kornet en viool) was jarenlang leider van de bekende Animal Crackers. Leo Sluimers -kornet, onder andere lid van de Victoria Band, Hans Kip - trombone, lid van de Training College Jazzband en leider van de Pink Elephants. Remco van der Gugten - sopraan en tenorsax, was 10 jaar leider van de Limehouse Jazzband, Ruud Ditmarsch -klarinet en tenorsax, lid van de Western Jazz Group en de Limehouse Jazzband. Herman Openneer, Nederlands bekendste wasbordspeler, lid van de Animal  Crackers en Pink Elephants,  Tom Stuip -banjo, lid van onder andere de Dixie Machine en The Down Town Jazz Band. Eric de Jong -sousafoon en bas sax was voormalig lid van de Animal Crackers en Limehouse Jazzband en ik piano met ervaring in vele Amsterdamse formaties. Het repertoire gaat van Jean Goldkette's Orchestra en The Coon Sanders Orchestra naar Mc Kinney's Cottton Pickers en The Duke Ellington Orchestra, maar ook vaudeville shownummers, zoals The Man I Love, spelen we graag." aldus Andor in 1984.


      In Januari 1985 was de Jazzclub Hannover aan de beurt, gevolgd door Buchholzer Schützenhalle en de Hannover Jazztage aan het eind van dat jaar. Het jaar daarop was druk: naast alle optredens in Nederland, werd er gespeeld in Praag, Bratislava, Wenen, Hannover, Stuttgard, Luzern, en Dreieichhain/Frankfurt. De zomer trip (met partners) naar Praag was bijzonder, omdat in het toenmalige communistische Tsjecho- Slowakije jazzmuziek door het regiem slechts oogluikend en gecontroleerd werd toegestaan. De stad hing vol met rode spandoeken met teksten van de communistische partij. De band repeteerde min of meer illegaal in het conservatorium, werkte mee aan een radio-uitzending en nam deel aan een festival. Het vervoer ging met een oude stadsbus, georganiseerd door bevriende Tsjechische collega muzikanten. In Wenen trad de band op in Jazzland, dé jazzclub van Wenen en in een groot warenhuis op de derde etage, tussen de japonnetjes. Dit alles onder de bezielende leiding van Andor, die iedereen in zijn eigen taal te woord stond en het allemaal vooraf vanuit Nederland had georganiseerd. Ook 1987 was een druk buitenlands jaar. Opnieuw optredens in Wenen, Bratislava, Biel in Zwitserland, Karlsruhe en Hannover. De bezetting van de band was hetzelfde gebleven. 
      In 1988 veranderde dat door het plotseling overlijden van kornettist/violist Etienne Francois. Andor moest op zoek naar een nieuwe melodie man naast Leo Sluimers, die in de frontline altijd prima had samengewerkt met Etienne en die goede vrienden waren geworden. Het werd Ad Houtepen uit Breda, een ervaren kornettist/saxofonist uit de Victoria Band. Ad had ook ervaring met het schrijven van arrangementen; een talent waar Andor in de toekomst steeds meer gebruik van wilde maken om compacter te kunnen spelen, om het repertoire voor lezende invallers direct toegankelijk te maken en om de saxofoongroep met een extra saxofonist uit te breiden. Daar kwam bij dat Andor, alhoewel een redelijke pianist, niet de kennis bezat om nummers te arrangeren. Ad kon dat wel. Door zijn  komst veranderde een aspect van de organisatie, want Ad was werkzaam in het onderwijs en daardoor niet altijd beschikbaar. Andor loste dat op door meerdaagse optredens in het buitenland te plannen in de schoolvakanties. De andere bandleden stelden zich over het algemeen flexibel op ten aanzien van de geplande data voor optredens.Toch kwam het voor dat er vervangers moesten worden gezocht. Andor was daar nooit blij mee, maar door zoveel mogelijk vaste vervangers in te schakelen, konden die problemen meestal worden opgelost,  zonder de kwaliteit van de band aan te tasten. Echter, alleen nog in schoolvakanties op tournee te gaan, veroorzaakte bij sommigen problemen aan het thuisfront. Familiebelangen kwamen in het geding. Wat was belangrijker? Een familie tripje in de schoolvakantie met vrouw en kinderen naar de Ardennen? Of een optreden met de band 2000 kilometer verderop in Wenen? Voor Andor was die keuze niet moeilijk. Hij eiste onvoorwaardelijke aanpassing aan zijn planning en verloor daarbij uit het oog dat de bandleden omhoog gevallen amateurs waren en geen fulltime profs.
      In november 1988 nam de band deel aan het Göttinger Jazz Festival: 
       'Unter der Leitung des Pianisten Andor Lukacs spielen neun bekannte und erfahrene Musiker der Niederländischen Oldtime Jazz Szene anspruchsvollen, swingenden und fröhlichen Hot Dance und Jazz Music,' aldus het programmaboekje van het festival.  
                                                                                                                                                                         Na weer een paar dagen van huis en een duizendtal gevaarlijke snelwegkilometers, vond ik dat het mooi geweest was. Begin 1989 deelde ik Andor mee na tien jaar te willen stoppen. Ik stelde voor dat mijn vaste vervanger, Victor Bronsgeest, mijn plaats zou innemen. Dat lukte meteen, omdat Victor graag wilde en Andor, zoals een goede bandleider betaamt, de continuïteit van de band voorop stelde. De jaren daarna kende de band vele wisselingen in de bezetting. Na 2010 werd het steeds moeilijker om optredens te krijgen voor een band van negen man. Financieel kwam de zaak vaak niet rond, de aandacht voor classic jazz nam eerder af dan toe en de leeftijd ging tellen. Hij had er 34 jaar op zitten als regelneef, presentator, reisleider, chauffeur en pianist en trok zich in het najaar van 2012 terug uit zijn orkest. De band zelf bleef, tot op vandaag de dag, bestaan ( zie de website) Niemand van de oorspronkelijke basisbezetting was toen nog lid van de band. Andor heeft al die jaren op eigenzinnige wijze geprobeerd classis jazz  en de band op een artistiek zo hoog mogelijk peil te houden. Hij overleed op 20 december 2020 op 81-jarige leeftijd.Persoonlijk heb ik 10 jaar deel uitgemaakt van de band, veel mooie muziek gemaakt en veel plezier gehad. Dank je Andor, het was zeer de moeite waard.

       Bronnen:
      -Interviews met Victor Bronsgeest en Leo Sluimers
      - Archief Hans Kip
      .

             
        
       








      zaterdag 13 maart 2021

      Een eerbetoon aan Chris Barber

      Afgelopen 2 maart is trombonist Chris Barber op 90-jarige leeftijd rustig in zijn slaap overleden.  Zijn band was voor vele beginnende Nederlandse dixielandbands een voorbeeld. Het uit 1927 daterende Ice Cream  werd zijn lijflied en staat nog steeds op het repertoire van vele bands over de hele wereld 'I scream, you scream, we all scream for Ice Cream' heeft bewust of onbewust bijgedragen tot het wat platte imago dat dixielandmuziek hier en daar opliep. Het werd door sommige bands te vaak gebruikt om een goedkoop succesje bij het soms teveel bierdrinkende publiek te scoren. Maar de deun bracht ook veel plezier. Wie was Chris Barber?

      Donald Christopher Barber werd in 1930 geboren in Welwyn Hertfordshire als
      zoon van de econoom Donald Barber en onderwijzeres Hettie Barber-Dunne. Al op zevenjarige leeftijd kreeg hij vioolles. Toen hij 18 was, schafte hij zich een tweedehands trombone aan. Hij studeerde van 1951 tot 1954 aan de Londense Guidhall School of Music en begon tegelijkertijd een New Orleans jazzband met Monty Sunshine op klarinet, Lonnie Donegan op banjo, Jim Bray als bassist en Ron Bowden als drummer. Later kwam Pat Halcox op trompet erbij en werden de eerste successen geboekt. De toenemende populariteit noopte Pat Halcox om te stoppen; hij wilde geen beroepsmuzikant worden en werd opgevolgd door Ken Colyer die ook de leiding van de band kreeg. Colyers puristische opvattingen over New Orleans jazz leidde tot wrijving. De trompettist hield het bij de stijl van Bunk Johnson en George Lewis, terwijl Barber en de andere bandleden er een bredere opvatting op nahielden. Colyer stapte op en Barber nam de leiding weer over. Hij haalde Pat Halcox terug en samen werkten ze aan een concept dat een mix was tussen technische perfectie en het bluesgevoel en enthousiasme van de New Orleans straatmuzikanten.

      In 1954 kwam de doorbraak. Banjoïst Lonny Donigan zorgde voor afwisseling tijdens de optredens. Hij zong met begeleiding van Chris Barber op bas en de rest van de ritmegroep een aantal solo nummers die skiffle muziek werd genoemd. Het nummer Roch Island Line werd uitgebracht op de plaat, waarvan er in Engeland een miljoen werden verkocht. De muziek van Donegan inspireerde de Beatles later tot de oprichting van een eigen skiffle groep: 'The Quarry Men'. In 1957 had de Barber band een mega hit met Petite Fleur. Dit nummer van Sidney Bechet stond in Nederland twee maanden als nummer 1 op de hit parade. In 1959 werd de Noord-Ierse blueszangeres Otillie Patterson mevrouw Barber. Ondertussen richtte Chris met een zakenpartner de Londense Marquee club op, waar iedere popband, van David Bowie tot Fleetwood Mac, optrad. In 1961 trad Chris Barbers Jazz band met heel veel succes op in een uitverkochte Royal Albert Hall in Londen. Van dit concert zijn opnamen gemaakt en op grammofoonplaat uitgebracht,  inclusief de uitzinnige reacties van het publiek. Rond deze tijd trad bluesgitarist John Slaugter tot het orkest toe, dat voortaan de Chris Barber Jazz en Bluesband werd genoemd. Ook werd er gospelrepertoire aan de band toegevoegd. In de jaren zestig nam de populariteit van de traditionele jazz onder druk van de rock en roll wat af. Chris kreeg concurrentie van o.a. Kenny Ball, Mr. Acker Bilk en de Nederlandse Dutch Swing College band. De Barber band bleef echter populair vanwege het brede repertoire in jazz en blues. Amerikaanse bluesartiesten, zoals Big Bill Broonzy, Sonny Terry en Muddy Waters, werden op kosten van Barber naar Engeland gehaald en traden als gastsolist met de band op. In 1967 nam de band Cat Call op, een compositie van Paul McCartney, die op de plaat orgel speelt. Chris Barbers Jazz Band was in Amerika te zien op tv in de Ed Sullivan Show. De band werd er geroemd om diens muzikaal vakmanschap, enthousiasme en amusementswaarde, maar ook om het respect voor de Amerikaanse muzikale grondleggers van de jazz en blues. Chris Barber streefde er steeds naar om de vroegste jazz- en blues tradities uit New Orleans te verbinden met nieuwere ontwikkelingen, zoals de muziek van Charles Mingus, Van Morrison John Mayall, Eric Clapton en de Rolling Stones. "Zonder Chris Barber," zei eens bassist Bill Wyman, "zouden de Beatles en de Stones niet zijn waar ze nu zijn."  

      Heel Europa werd het werkterrein van de band. Ook in Nederland traden ze regelmatig op, zoals in de destijds vermaarde Pauwkes Jazz corner in Beek en Donk. Diverse Nederlandse theaters werden vele seizoenen achtereen aangedaan. Na een optreden in de Stadsschouwburg in Haarlem had ik het genoegen om in de pauze een kort gesprekje met Chris te hebben. We hadden het over de moeilijkheidsgraad van de trombone en de voorkeur voor merken en types. Op mijn vraag wie zijn favoriete trombonist was, antwoordde hij: "Ik zou graag zo willen spelen als Miff Mole, maar er is een probleem: ik kan het gewoon niet!" Bij Tros Sesjun was hij een graag geziene gast en samen met platenbaas Wim Wigt produceerde hij 25 albums met classic jazz. Wigt zou ook nog jaren zijn impresario blijven. Regelmatig keerde Chris met zijn repertoire terug naar de muzikale erfenis van Duke Ellington. Hij haalde gastsolisten, zoals Duke Ellingtons klarinettist Rusell Procope naar Engeland om grotere arrangementen, vooral van Ellington repertoire, authentieker te kunnen uitvoeren. In 1991 kreeg Barber vanwege
      zijn verdiensten op muziekgebied de onderscheiding Officer of the Orde of the British Empire. In 1998 ging hij  samenwerken  met het orkest de Ellingtonians van Bob Hunt. Die samenwerking leverde uiteindelijk een nieuwe bezetting van 11 musici op. Het orkest kreeg een nieuwe naam: The  Big Chris Barber Jazz Band en ging door met Hunt als tweede trombonist en arrangeur. Hunt is tevens de trotse eigenaar van een trombone die ooit toebehoorde aan de Ellington trombonist Tricky Sam Nanton. Luister naar de geweldige opnamen van The Spell of the Blues en Jubilee Stomp in deze nieuwe bezetting. De Big Band op z'n best! Toen Wim Wigt eens aan Chris vroeg hoe lang hij nog door wilde gaan antwoordde hij: "Zolang jij mijn concerten kan boeken!" De memoires van Chris Jazz me Blues, geschreven door Alyn Shipton, verschenen in 2014. 

      Op 12 augustus 2019 maakte zijn management bekend dat Chris Barber, na 70 jaar toeren, zijn loopbaan als actief musicus zou beëindigen. Hij was toen 88 jaar. Daarmee kwam een eind aan zijn dynamische, zeer herkenbare en stijlvaste trombonespel en de deelname aan zijn jazzband, die meer dan 15.000 concerten gaf in vijftig verschillende landen. De band van Chris Barber betekende veel meer dan alleen de vertolking van Ice Cream en Petite Fleur. Door de jaren heen werd een unieke bijdrage geleverd aan de authentieke jazz- en bluesmuziek. De band is gelukkig doorgegaan. Bob Hunt heeft de muzikale leiding en de presentatie is in handen van de Nederlandse klarinettist en saxofonist Bert Brandsma. Bedankt Chris, voor al die prachtige muziek !

      Bronnen:

      The Guardian, 2 maart 2021, Dagblad van het Noorden, 3 maart 2021, Newsblog 5 maart 2021, Nu Jazz, 5 maart 2021, Wikipedia, 5 maart 2021.                                                                                                         .