dinsdag 28 mei 2019

De Babe Ruth van de trombone


Eén van de meest aangrijpende verhalen uit de geschiedenis van de classic jazz gaat over trombonist Irving Milfred Mole, geboren op 11 maart 1898. Zijn ouders, William en Elizabeth Mole, waren van oorsprong Engelsen en woonden in Roosevelt op Long Island bij New York. Thuis werd Irving kortweg Miff genoemd. Al heel jong kreeg hij van zijn vader vioolles; pa was van beroep huisschilder en speelde als bijverdienste viool in een orkestje dat stomme films begeleidde en feesten en partijen opluisterde. Miff verving zijn vader regelmatig en leerde zichzelf ondertussen piano spelen. Het was een zeer muzikale jongen, dat was duidelijk. Toen hij trombonisten hoorde in een brassband bij hem in de straat, besloot hij dat de trombone zijn instrument moest worden. Dat leerde hij door de noten eerst op de piano aan te slaan en ze dan op de trombone met de schuif op te zoeken. Zijn ervaring op viool kwam daarbij goed van pas, want de viool moet je op gehoor spelen en de trombone ook. Er zitten immers op de snaren geen merktekens die de noten markeren, net zo min als op de schuif,
Vanaf zijn zestiende jaar nam hij professioneel tromboneles. Hij hoorde en speelde de eerste jazz in cafés en restaurants. Op zijn achttiende werd hij trombonist van The Original Memphis Five, een vijf mans band, naar voorbeeld van de Original Dixieland Jazz Band. Ze kregen een contract in de Harvard Inn, waar Al Capone de uitsmijter was. Tijdens een pauze ontstond er een schietpartij; Miff vond zijn trombone terug met een kogelgat in de beker.


Miff en Red Nichols
Miff Mole ontwikkelde zich tot een virtuoze trombonist met een prachtige toon en een totale instrumentbeheersing. Hij had goed muziek leren lezen, kon uitstekend improviseren en was daardoor overal inzetbaar. Iedere band wilde hem hebben. Hij trouwde toen hij twintig was, kreeg en dochter en was verknocht aan New York. Hij maakte er ontelbare plaatopnamen met onder andere de orkesten van Sam Lanin, Ross Gorman, Ray Miller, Roger Wolfe Kahn en Don Voorhees, toen toporkesten in Amerika. Zeer profijtelijk, zowel muzikaal als commercieel, was het partnerschap met kornettist Red Nichols. Ze maakten samen in verschillende formaties prachtige en voor die tijd zeer moderne studio-opnamen die de geschiedenis in zouden gaan als de New York jazzstijl, met in de hoofdrol Miff Mole, onnavolgbaar als topsolist. Red en Miff  waren als 'ham and eggs'. Collega trombonist Tommy Dorsey, niet de minste, noemde Miff de Babe Ruth van de trombone - Babe was in die tijd de beste honkballer van Amerika, spelend bij de New York Yankees.
Bij Chris Barber en Roy Williams, hedendaagse classic jazz trombonisten, bracht ik een paar jaar geleden Miff Mole ter sprake. Op mijn vraag of ze wel eens zijn solo's hadden uitgeprobeerd, kreeg ik als antwoord van Chris Barber: "I tried, but I simply cannot do it."
Miff noemde de trombone niet voor niets zijn 'rattle snake'.
Naast muzikaal ging het ook financieel heel goed. Miff verdiende bakken met geld, maar gaf het ook snel weer uit. Hij ging bijvoorbeeld de deur uit voor een schroevendraaier en kwam terug met een peperduur Pierce-Arrow automobiel.
In de dertiger en veertiger jaren bleef hij een veel gevraagde muzikant. Niet alleen in de jazz bij de orkesten van Paul Whiteman en Benny Goodman, maar ook bij het NBC Symphonic Orchestra, waar hij speelde als tweede trombonist. Wanneer de dirigent tijdens een repetitie niet tevreden was over de trombonesolo van de eerste trombonist in de Bolero van Ravel, nam Miff de partij vlekkeloos over.
Het succes maakte van hem geen prima donna, in tegendeel: Miff, bescheiden van karakter en met het uiterlijk van een dominee, zou anoniem de geschiedenis in zijn gegaan, ware het niet dat zijn legendarische trombonecapaciteiten dat hebben verhinderd. Toen in 1958 de film 'The Five Pennies' werd opgenomen met Danny Kaye in de rol van Red Nichols, werd Miff niet eens genoemd, laat staan dat hij te zien was. Het liet hem onberoerd.
In de jaren daarna vormde hij zijn eigen Dixieland Jazz Band en trad hij regelmatig op in clubs in New York en Chicago. Daarnaast besloot hij om trombonelessen te gaan geven. Hij kreeg over de vijftig leerlingen.

Toen ging het mis. Zijn gezondheid liet hem in de steek. Door een val met schaatsen in zijn jeugd, had hij problemen gekregen met zijn heup. Hij moest twee operaties ondergaan en kreeg een prothese. Het kwam niet goed. Hij liep met krukken en later met een stok. Zijn heupspieren waren niet sterk genoeg. Tot overmaat van ramp volgde een dubbele hernia en kreeg hij problemen met zijn maag en keel. Hij moest meerdere operaties ondergaan, acht in totaal en was niet verzekerd. Zijn financiële reserves smolten als sneeuw voor de zon. De trombone bleef een tiental jaren onbespeeld.

In 1960 werd het jaarlijkse Newport Jazz Festival georganiseerd. De organisatie, onder leiding van jazzpromotor George Wein, vroeg Miff Mole als gastsolist. Die voelde zich beter en had deelgenomen aan een fotosessie in Harlem, waar alle prominente New Yorkse jazzmuzikanten gezamenlijk op de foto gingen voor een reclamecampagne. Op het Newport Festival zou hij zondagavond optreden bij de band van trompettist Red Allen. Toen het contract was getekend, haalde Miff zijn trombone weer tevoorschijn, bouwde embouchure op en was klaar voor een comeback op het beroemde Newport Jazz Festival met uitzendingen op radio en televisie. Het festival duurde drie dagen en begon op donderdag in het Freebody Park. Op zaterdagavond kwamen er twaalfduizend bezoekers, waarvan sommigen teveel dronken. De boel liep uit de hand. Het concert werd afgelast. Opgeschoten jongelui gooiden met stenen en bierglazen. De politie gebruikte traangas. Om twee uur 's nachts veegde de Nationale Garde het park schoon.
Zondagmorgen om 09.00 uur kwam het Gemeentebestuur van Newport in spoedzitting bijeen. Men besloot het festival te beëindigen. Nog diezelfde morgen werd het festivalterrein opgeruimd. In de nog overgebleven perstent zat een man gebogen op een klapstoel, steunend op een wandelstok met naast zich een trombonekoffer. Het was de tweeënzestig jarige Miff Mole. Niemand schonk aandacht aan hem. Hij was gekleed zoals oudere mensen vaker deden: verschillende kledingstukken over elkaar.
Miff vroeg om een sigaret en widel de festivalleiding spreken. Een journalist, die Miff herkende, realiseerde zich dat Miff wellicht niet naar de radio of TV had geluisterd en daarom niet wist dat het festival was afgelast. Na veel heen- en weer gepraat, waarbij Miff  nog zei dat hij weken had geoefend en zijn lip in prima conditie was, werd hij begeleid naar de bushalte en keerde onverrichter zake terug naar New York, hevig teleurgesteld.

Enige tijd later zag een oud-leerling van hem dat hij op straat, in de buurt van Broadway, zakjes pretzels stond te verkopen. Dat werd overigens later, in mijn correspondentie met een neef van Miff, ten stelligste ontkend. Een fan van Miff, Jack Cristal, de vader van de latere TV komiek Billy Christal, besloot een benefietconcert voor hem te organiseren. Benny Goodman bood zich aan om een band formeren. Na wat uitstel werd de datum uiteindelijk bepaald op 22 mei.
Zover is het nooit gekomen.
Op 29 april 1961 kreeg Miff Mole een beroerte. De trombonist der trombonisten overleefde dat niet. Mister Perfection Himself overleed in zijn appartement op 250 West 88th Street, voordat medische hulp arriveerde. Vanwege een nog uitstaande schuld werd zijn trombone door de gemeente New York in beslag genomen. Na voldoening van de schuld door de familie, werd het instrument vrijgegeven. Het is niet bekend of een plan om later alsnog een benefiet concert voor zijn vrouw Alma te organiseren, is doorgegaan. Ik betwijfel het. Eén ding is zeker. Ook ik ben, tot op de dag van vandaag, niet in staat om zijn solo's foutloos na te spelen.

Bronnen: Lost Chords, Richard Sudhalter New York 1999. Down Beat, Bouquet to Miff Mole, 1951. Record Research, Richard Dupage 1961.The Great Jazz Day, Charles Graham New York, 1999. Correspondentie met Bob en Jackie Raynor, Roosevelt Long Island, 2013








 

zaterdag 11 mei 2019

Roze olifanten in Amerika



De Walt Disney Studios in Los Angeles hadden een heel team illustratoren in dienst die de tekeningen maakten voor beroemde films, zoals Sneeuwwitje, Bambi en Jungle Book.
In hun vrije tijd vormden deze tekenaars een jazzband die vanaf 1955 speelde op feesten van de studio. De Firehouse Five Plus Two, uitgedost in brandweerkostuums, werd populair in Californië.
Hun plaatopnamen werden later ook in Europa uitgebracht op het Good Time Jazz label.
De sopraansaxofonist van de band, George Probert, werd bij een bezoek aan Nederland in 1974 uitgenodigd om als gastsolist op te treden op het Breda Oude Stijl Jazz Festival.
George ging ook naar Amsterdam en logeerde bij slagwerker Herman Openneer. Herman was achteraf gezien niet zo verguld met die logeerpartij. George, een corpulente man, had de gewoonte om bij nacht en ontij de koelkast te plunderen. Oude kaas, knakworst en Heineken bier waren niet aan te slepen. Herman speelde in die tijd in de Pink Elephants (in het Engels is een pink elephant een hallucinatie door overmatig alcohol gebruik!) De band was het huisorkest van de Sherry Bodega 'de Gravin' in Haarlem, waar tweemaal per week de pannen van het oude dak werden gespeeld.
George ging met Herman mee naar deze bodega en trad er op met de Pink Elephants. Ik speelde trombone en herinner me dat George, laten we zeggen, een goed gevuld volume op de sopraansax produceerde.

Terug in Amerika bleek dat George het prima naar zijn zin had gehad in Haarlem. Op zijn aanbeveling kregen de Pink Elephants een uitnodiging om te spelen op het Sacramento Dixieland Jubilee 1980, het grootste oude stijl jazz festival in Amerika met 77 bands en diverse gastsolisten zoals Teddy Wilson, Nick Fatool en Eddy Miller. In 1979 waren er 100.000 betalende bezoekers. Dit alles speelde zich af in Old Sacramento, een in oude staat hersteld goudzoekers stadje met saloons, sheriff's office en paardenstallen.
Er was één probleem: de reiskosten van en naar Sacramento waren voor de band, de kosten in Amerika voor het festival. De festivalwinst werd na afloop verdeeld onder de muzikanten. Ik vroeg bedenktijd. Hoe financier ik vijf retourtickets voor Remco van der Gugten: tenor- en sopraansax, Dick Klijn: banjo,  Pieter Klop: sousafoon, Herman Openneer: wasbord en voor mijzelf op trombone?
Ik werkte in die tijd voor een reclamebureau in Amsterdam. Een nieuwe klant, Transamerica Airlines, organiseerde een openingsvlucht naar Los Angeles op 14 mei. Het festival vond plaats van 23 t/m 26 mei. Ik maakte een afspraak met de baas van de luchtvaartmaatschappij en bood hem een gratis orkest aan in ruil voor vijf tickets. Deal ! Heen 14 mei, terug 27 mei. We speelden op Schiphol, in Ierland op Shannon Airport en aan boord tijdens de vlucht hoog boven de oceaan.

Op 17 mei hadden we in Los Angeles onze eerste schnabbel. De Amsterdamse bokser Pedro van Raamsdonk bokste die dag in het stadion van de Pepperdine University. Op zijn verzoek traden wij op in de ring voordat de match begon. Tribunes vol met hoofdzakelijk Afro-Amerikaanse studenten zaten te swingen op ons openingsnummer 'I'm looking over a four leaf clover'. Pedro verloor op punten. Na afloop vroeg een student: "What kind of music is this, sir?"
Op zaterdag 18 mei speelden we voor de Los Angeles Jazzclub in de Cristal Ballroom van het Haciënda Hotel. Drie dagen later werden we in Sacramento verwacht. In de tussentijd huurden we een auto om een bezoek aan Mexico te brengen. Voor de terugweg sloegen we wat Mexicaans bier in. Dat hadden we niet moeten doen. De heren bandleden moesten plassen en verzochten me ergens langs de weg te stoppen. Even later stopte er een Amerikaanse politie auto, compleet met blauw zwaailicht, net als in de film. Het ging als volgt:  Chauffeur uitstappen, papieren laten zien, handen op het dak, fouilleren.
Officer: "Wat is hier aan de hand?
Ik: "We moesten pissen."
Officer: "Waar?"
Ik: "Daar in de bosjes."
Officer: "Show me."
Ik liet hem de plek zien. De aarde was van al dat geplas nog vochtig. Hij geloofde me, gaf me de papieren terug, en een bon voor het negeren van een stopverbod. We mochten doorrijden.
We vlogen woensdag 21 mei van Los Angeles naar Sacramento.
De volgende avond speelden we om en om met Papa Bue's Viking Jazz Band op de kennismaking party van 1100 festival vrijwilligers. Op vrijdag begon het 4 dagen durende festival.

De organisatie was perfect.77 orkesten wisselden ieder anderhalf uur van podium. Ieder optreden begon op tijd. Met altijd een aandachtig luisterend, keuvelend en soms dansend, wat ouder publiek. Het was een geweldig aanbod van oude stijl jazzmuziek in de meest uiteenlopende vormen, van een hoog tot zeer hoog niveau. Er waren bands afkomstig uit alle staten van Amerika. Slechts 6, waaronder wij, kwamen van elders. Na afloop van de dagelijkse programma's werd er op sommige plekken in the Old Town tot in de vroege morgen gejammed. We waren duidelijk in het land van de jazz. Tenslotte hebben de Amerikanen het uitgevonden. Opvallend was wel dat er vrijwel uitsluitend blanke muzikanten aan het festival deelnamen.
Wat de Pink Elephant Serenaders (onder die naam werden we gepresenteerd) betreft, hebben we in Amerika op de top van ons kunnen gespeeld. In totaal 13 keer op het festival en 4 keer elders. We hadden veel succes met ons repertoire en we speelden de complete nummers dat wil zeggen met verse, chorus en vocals, zoals oorspronkelijk gecomponeerd. De bezetting van sousaphone, wasbord, banjo, sax en trombone leverde een speciale sound op.
De Elephants zijn actief geweest van 1971 tot 1985 met als hoogtepunt de deelname aan dit Sacramento Dixieland Jubilee, een uniek festival, dat helaas niet meer bestaat.
Was het dan toch een hallucinatie door overmatig alcoholgebruik?

Bron: Pieter Klop, overzicht 11 jaar Pink Elephants










dinsdag 2 april 2019

De erfenis




In  2007 was ik op bezoek bij mijn vriend Rens Velthuizen. Hij runde het zalencentrum Trianon aan de Oude Gracht in Utrecht. De grote zaal werd o.a. gebruikt om er danslessen te geven en was voorzien van een prachtige parketvloer, een podium en een bar.
Het idee ontstond om de zaal een keer in de maand om te toveren in een jazzclub. Utrecht kende tot op dat moment geen gelegenheid waar oude stijl jazzmuziek live te beluisteren viel. Daar moest hoog nodig verandering in komen.
De opzet was om allereerst een huisorkest samen te stellen bestaande uit ervaren muzikanten die meteen konden beginnen. Na overleg met saxofonist Ronald Jansen Heijtmajer vormden Koos van der Hout (trompet), Hans Koppes (tuba), Johan Lammers (banjo), Rene Winter  (slagwerk) en ik (trombone) de Trianon Jazz Band; zie Youtube.
De clubformule was uniek. Bij de maandelijke optredens werd een gastsolist uitgenodigd als aanvulling op de vaste bezetting. Dat varieerde van zangeressen, zoals de Peeters Sisters, Solveig Borgen, Edsilia Rombley (!) en Chris Peeters tot instrumentalisten, zoals Rob Veen, Alain Marquet, Guido Nielsen, René van Astenrode, Frits Kaatee en Fred Demetere. Die laatste pikte ik op als gitarist/straatmuzikant in Hoog Catharijne, waar hij in gypsystijl de sterren van de hemel speelde.
In de pauzes werden er muziek- en tekenfilmpjes getoond.

Een van de vaste bezoekers van de club was een grijs/blonde, wat magere man die na afloop van een optreden naar mij toe kwam. "Hallo Hans, ken je mij nog?" vroeg hij. Ik herkende vaag zijn gezicht, maar kon hem niet direct thuisbrengen.
Het bleek Henk Alberts te zijn, net als ik een voormalige leerling van het Stedelijk Lyceum in Zutphen. Hij woonde in Utrecht, en was als docent verbonden aan de Utrechtse Hoge School. Voorafgaand aan de optredens in de Trianon Jazz Club, plakte ik de stad vol met posters. Op zo'n  poster had hij mijn naam gelezen. Henk werd een vaste bezoeker van de club. Hij speelde trompet in een Utrechts jazzband, waar ik nog eens ingevallen ben.
Henk, een zware roker, kreeg problemen met zijn gezondheid. Zijn bezoeken aan de club namen af. Op een gegeven moment miste ik hem. Tot mijn schrik ontving ik na korte tijd zijn overlijdensbericht en werd ik opgebeld of ik op zijn begrafenis in Utrecht, samen met zijn muziekvrienden, wilde spelen. Dat heb ik gedaan. Ik herinner me die dag als de dag van gisteren. Het was midden in de winter, er lag een flink pak sneeuw.
In het bezoekerscentrum werd afgesproken dat we achter de kist, die naar het graf werd gedragen, een aantal nummers zouden spelen. Dit in de traditie van New Orleans, waar dat gebeurde - en wellicht nog steeds gebeurt - als er een muzikant was overleden. Glijdend achter de kist hebben we Henk met nummers als 'Didn't he ramble' en'Just a little while to stay' naar zijn laatste rustplaats begeleid.

Enkele maanden later kreeg ik bericht van zijn partner, die me bedankte voor mijn medewerking. Maar ze had nieuws: Henk had mij in zijn wilsbeschikking een instrument nagelaten dat bij haar op zolder stond. De vraag was of ik geïnteresseerd was. Meer kon ze er niet over zeggen. Natuurlijk was ik geïnteresseerd! Ik maakte een afspraak om te gaan kijken.
Het bleek een trombone te zijn; een instrument dat in jaren niet was aangeraakt. Het zag er niet al te best uit, maar ik kon en wilde het niet weigeren. Het foedraal was redelijk intact met aan de binnenkant die ouderwetse groene vilten bekleding. De trombone zelf was vuil en gedeukt, maar de schuif zat niet vast - een deuk in de schuif betekent altijd het einde. Thuis ging ik op verder onderzoek uit. Gegraveerd in de beker stond de merknaam: The HN White Cleveland. Nieuwsgierig zocht ik de naam op via het internet.

Henderson N.White bouwde in zijn werkplaatsje in Cleveland U.S.A in 1894 zijn eerste trombone en noemde het model 'de King onder de trombones'. Daarmee was het merk King van de H.N.White Company, een bedrijf dat nog steeds bestaat, geboren. De trombone had, vergeleken met alle daarvoor geproduceerde, een betere toon, droeg verder en was uitgerust met een lichtere, snellere, goed lopende schuif.
Het merk King werd zeer bekend, vooral door trombonist Tommy Dorsey, 'the gentleman of swing', die lang op een King heeft gespeeld. In de loop der jaren werd het gamma uitgebreid met een complete serie blaasinstrumenten.
Toeval: ook ik kocht in Amerika, alweer jaren geleden, een King 2B trombone, waar ik nog steeds met veel plezier op speel.

Aan de oude King van Henk, met een serienummer daterend uit 1915 (wellicht een classic jazz exemplaar), moest wel wat gebeuren. De beker was gedeukt, de schuif moest worden gesteld en gesmeerd en van een nieuw slot worden voorzien. Last but not least: het zilver moest worden opgepoetst.
Ik belde met Atelier Pfeiffer in Rijswijk. "Wat? Een HN White King? Wanneer komt u hem brengen?"
"A.s. donderdag, maar ik vlieg dinsdag terug naar Spanje."
" Geen probleem, zo'n instrument hebben we hier nog niet gehad. U krijgt voorrang, maandag is ie klaar!"
En zo geschiedde. De trombone speelt als een zonnetje! Soepel, makkelijker in het hoge register en... met een fluwelen toon.
Henk, nog bedankt, ik blijf aan je denken!




dinsdag 5 maart 2019

1919, Het keerpunt



Precies 100 jaar geleden vond er in New York een overwinningsparade plaats. De Verenigde Staten waren 19 maanden succesvol betrokken geweest bij de Eerste Wereldoorlog. Het land kon weer ademhalen en zich opmaken voor een nieuw muzikaal fenomeen: de jazz!
Wat was er daarvoor gebeurd? Heel veel. De blues en de gospel hadden al veel eerder hun opwachting gemaakt. Op de plantages werd muziek gemaakt en er werden danswedstrijden georganiseerd. Een populaire dans was de Cakewalk. Een cake was de prijs voor de winnaar. Een compositie uit die tijd 'Cake Walking Babies from home' werd later door Bessie Smith en Eva Taylor op de plaat gezet. De eerste pianorollen met ragtime muziek lagen in de muziekwinkels. Het nummer 'The Entertainer' van Scott Joplin groeide uit tot een ragtime hit. In New Orleans traden ondertussen de eerste jazzbands op. De Original Dixieland Jazz Band maakte in 1917 de eerste 78- toeren plaat.

Wat was jazz? Het was nieuw; er was nog geen definitie. Jazz, eerst gespeld als jass, was in het Engels zowel werkwoord als naamwoord. Het werd een nieuwe Amerikaanse cultuuruiting, opvolger van de ragtime. Afkomstig uit het zuiden, onrustiger, losser, ritmischer, tegenstrijdig met andere vormen van muziek, vooral voor de blanke Amerikaan.
Het orkest van Paul Whiteman speelde in die tijd naast symfonische muziek en walsen een stijl die Jazz Classique werd genoemd. Stijf en zonder improvisatie, uitgevoerd door klassiek geschoolde musici. Dansmuziek voor de high society, die zich na de Eerste Wereldoorlog opgelucht uitleefde in de danszalen van hotels en restaurants Voor Whiteman was de naam Jazz Classique gewichtigdoenerij, inhakend op een nieuwe trend en goed voor de plaatverkoop. Pas veel later werd zijn orkest werkelijk een jazzband (en wat voor één) vooral door het inhuren van top jazzmusici.

17 februari, 1919. Boven New York hing een sneeuwlucht. Het was de dag van de overwinningsparade. Langs de route op de Fifth Avenue stonden duizenden mensen opgesteld om hun helden, teruggekeerd uit Frankrijk, te begroeten.
Het 369-ste, in Frankrijk gedecoreerde, Infantry Regiment bestond uit Afro-Amerikanen, door de Duitsers met respect Hellfighters genoemd. Ze werden feestelijk begeleid door hun eigen Regiment Marching Band en speelden militaire marsmuziek. Het werd een adembenemende parade onder aanvoering van luitenant James Reese Europe, een toen al bekende Afro-Amerikaanse bandleider en componist, die al in 1910 een vereniging van zwarte muzikanten oprichtte. De vereniging bezat een eigen symfonie orkest, waarmee James als dirigent was opgetreden in de Carnegie Hall in NewYork.
Het publiek op de Fith Avenue was onder de indruk, betoverd door het uitzonderlijke schouwspel. De prestaties van het regiment in Frankrijk werden vooraf uitvoerig door de pers uit de doeken gedaan.
Toen ze de voorbij de 60ste straat marcheerden veranderde de militaire fanfare band in een New Orleans Brass Band. Ze bereikten Harlem, hun eigen wijk, en pasten het repertoire aan.
That Moaning Trombone, Memphis Blues, Missouri Blues, St. Louis Blues en Hesitating Blues schalden door de straten; nummers die ze speelden op de binnenplaats van het ziekenhuis in Parijs, waar gewonde militairen van hun regiment lagen; nummers die de Harlem Hellfighters, terug in New York, opnieuw ten gehore brachten en die de grote betekenis van jazzmuziek, als Amerikaanse kunstvorm, voor eens en voor altijd bevestigde.

Voor James Reese Europe was de feestvreugde van korte duur. Op 9 mei 1919  arriveerde de band in Boston voor een concert in de Mechanic's Hall. Gouverneur Calvin Coolidge zou de volgende morgen met hem een krans gaan leggen bij een oorlogsmonument.  James was verkouden en moe en worstelde zich door de eerste helft van het concert. In de pauze had hij een gesprek met de broers Wright, drummers in de band, over hun gedrag op het podium. Herbert Wright voelde zich onheus bejegend, trok een zakmes en stak hem in zijn hals. De wond leek eerst niet ernstig te zijn. Het concert werd voortgezet door Noble Sissle, de latere bandleider, als vervangend dirigent. In het ziekenhuis kon de bloeding niet worden gestelpt. James overleed binnen een half uur, 38 jaar oud.
Hij kreeg een staatsbegrafenis, de eerste ooit toegekend aan een kleurling. Duizenden blanke en zwarte New Yorkers zagen de begrafenisstoet van Harlem naar de Episcopal Church voorbij trekken. Hij werd bijgezet op de Arlington National Cemetery, het kerkhof waar de presidenten van Amerika liggen begraven.
De New York Tribune schreef: 'Men dacht dat een kleurling alleen maar kon dansen of portiers werk verrichten.' James Reese Europe opende de deuren naar een betere positie, die van volwaardige muzikant.



maandag 11 februari 2019

Tante Alie


Amsterdam kent helaas geen oude stijl jazzclub meer. Oude stijl jazz (of Dixieland) is in de stad een stille dood gestorven
Dat is wel eens anders geweest. Naast Lanx, de Jozef Lam Jazzclub en de Bamboo Bar bestond de Blokhut, te vinden op de Hoogte Kadijk 13.
Een zaaltje dat door de week werd verhuurd aan de ABPV, de Amsterdamse Politie Boksvereniging. Door boks training zou de politie zich beter kunnen verweren tegen vechtersbazen in de binnenstad.
Op zondagavond werd het zaaltje omgetoverd in een jazzclub, waar oude stijl jazzmuzikanten zich lieten horen. Langs de muren van het zaaltje stonden van die typische bruine café stoelen en tafels opgesteld. Achterin  bevonden zich een buffet en een klein podium, dat met kratten en planken in elkaar werd gezet. Achter het buffet stond tante Alie, een fel Amsterdams wijfie, dat in mijn toenmalige ogen al op leeftijd moet zijn geweest.
Als gastheer fungeerde washboardspeler Herman Openneer. Een beminnelijke, rasechte Amsterdammer die nog bij zijn ouders woonde in de Chasséstraat. Zijn vader was kunstschilder. Herman maakte de lijsten.
De club was voor menig muzikant het eerste podium. Dat werkte als volgt :
Herman registreerde de binnengekomen muzikanten, te herkennen aan een eerder optreden of aan de meegebrachte instrumentenkoffers. Vervolgens werd met podium coördinator Ré Gruetters (meneer Ré zei tante Alie) afgesproken wanneer ze op het podium konden plaatsnemen. Daarbij werden een aantal regels in acht genomen. In de eerste plaats de bezetting. Oude stijl jazz wordt in principe gespeeld met een trompet, klarinet, trombone, banjo, tuba (bas) piano en slagwerk.
De heren musici zelf wisten wie qua stijl het beste bij elkaar pasten. Puur of revival ? Louis of Bix ? Beginner of gevorderde ?
Als een bezetting was gevormd, de nummers waren afgesproken en de toonaarden vastgesteld, werd er afgetikt en ging het los ! De volgorde van de solo's werd bepaald door met een vinger te wijzen of met het hoofd naar de volgende solist te knikken. De eindjes waren een probleem. Hoe duidelijk was de trompettist ? Gaf hij aan nog een chorus te willen spelen? Was het een dubbel of een enkel eindje? Het ging regelmatig fout. Ook het juiste volume werd niet altijd in acht genomen. Vooral trompettisten willen nog wel eens demonsteren hoe hard en hoog ze kunnen spelen.
Werd het te gek dan greep Tante Alie in met de kreet:  'Heren, kan het wat zachter ?'
De Blokhut was een prima school voor oude stijl jazz talent. Menige band, zoals bijvoorbeeld  de Dixie Damslapers, de Animal Crackers, de Pink Elephants en Andors Jazzband zagen er het licht.
Er werd geen entree betaald. Herman ging, in zijn groen/ bruin gestreepte jasje, rond met een schoteltje waar het publiek ( vrienden, familie, liefhebbers) geacht werd 50 cent op te leggen.
Na afloop ging ik vaak mee naar Hermans ouderlijk huis om tot diep in de nacht 78 toeren platen te draaien. Bij hem hoorde ik voor het eerst de Amerikaanse trombonist Miff Mole. Hij vertelde ook allerlei verhalen over muzikanten. Bijvoorbeeld over een collega muzikant die, op een zondagavond na een bezoek aan de Blokhut, bij een vuilnisemmer in zijn straat een flinke stapel 78 toeren platen ontdekte. In de veronderstelling dat iemand van zijn verzameling af wilde, bekeek hij onder een lantarenpaal de platen. Het bleek Amerkaanse classic jazz te zijn. Paul Whiteman, Fletcher Henderson, Bix Beiderbecke enz.. Als een koning te rijk las hij niets vermoedend de labels, tot dat hij verbijsterd tot de conclusie kwam: 'dat zijn mijn platen!' Zijn vrouw had ze bij de vuilnis gezet, omdat ze genoeg van die muziek had. Het huwelijk heeft geen stand gehouden.
Ik heb in de Blokhut als jonge trombonist veel ervaring opgedaan. Alles begon met een briefkaart van Herman. Een uitnodiging om in de club te komen spelen. Hij had mij op een festival gehoord met de Training College Jazz Band uit Doetinchem. Later heb ik met deze band in de Blokhut als gastorkest opgetreden  Ondanks de zenuwen speelden we de sterren van de hemel. Het publiek werd muisstil. Herman vertelde me achteraf dat de Amsterdamse muzikanten van hun stoel gevallen waren  Niemand had verwacht dat die boeren uit de Achterhoek zo goed waren.
 ( zie voor de TCJB Youtube )
In 1968 had ik de geweldige ervaring om in diezelfde Blokhut een chase chorus te mogen spelen met Bill Rank, de trombonist van Bix Beiderbecke. Ook mocht ik achtergrondjes blazen bij het unieke optreden van zangeres Eve Taylor, de vrouw van Clarence Williams. Onvergetelijk !
Bedankt Amsterdam,bedankt tante Alie.







zaterdag 26 januari 2019

De Peereboom

Vorige week kwam ik in mijn verzameling een aantal singeltjes en EP'tjes tegen van de Western Jazz Group, in de zestiger jaren een Amsterdamse oude stijl jazzband. De tubaïst/leider van de band, Hans IJzerdraat, kwam ik een aantal jaren geleden tegen op een afscheidsreceptie in het BIM huis in Amsterdam. Ik had hem nooit eerder ontmoet, hij was inmiddels een oudere heer van in de tachtig. Een oud-onderwijzer, die zijn orkest zelf naar snabbels reed in een VW busje. Zo'n koekblik waarin niet gerookt mocht worden en die hij had versterkt met ijzeren balken,bang als hij was voor aanrijdingen.
 "Bent U meneer IJzerdraat de tubaïst van de Western Jazz Group?" Hij keek verrast op en zei
 "Dat klopt". Ik was al jaren een fan van de New Orléans Seven en de Western Jazz Group en maakte hem een compliment voor die bands en zijn tuba spel. Hij zei dat hij de laatste jaren nooit meer reacties had gehad en bedankte me, enigszins verlegen.
De bands van Hans IJzerdraat beschouw ik als de van top van de oude stijl jazz in Nederland. Stijlopvatting en de kwaliteit van de verschillende bandleden (veelal muzikanten uit de Amsterdamse jazzclub de Blokhut ) maken het verschil. Cornettist Hans Roty, klarinettist Pim Gras, de saxofonisten Frits Müller en Hans Hoff, pianist Wim de Vries, om er een paar te noemen, staan voor sterke, fraaie collectieven, uitstekend solowerk en een solide ritme.
Op trombone: de schrijver Frits Hotz, de latere P.C. Hoofdprijswinnaar.
Frits was een fabelachtige trombonist en kenner van de Amerikaanse New York jazzstijl in de twintiger jaren van de vorige eeuw. Ik heb altijd aangenomen dat Frits verbonden was aan beide orkesten, maar dat is ten dele juist. Ik las op de hoestekst van het Imperial EP'tje IPE 5060 dat in het nummer 'The Iron Swing' (een eigen compositie van IJzerdraat!) de pianosolo leidt naar een machtige trombonesolo van ene Bertil Poirier. Ook zijn partij in 'I have got what it takes' is op z'n minst van Hotz' klasse. Wie is die Bertil Poirier? De hoestekst zegt dat hij niet onderdoet voor zijn voorganger Fritz Hotz. Dat vraagt om nader onderzoek. Daaruit blijkt dat IJzerdraat problemen had gekregen over de stijl van de New Orleans Seven. Té oud voor sommige van de bandleden. Minder New Orleans, meer New York. Dat werd ruzie met als gevolg de Seven  o.l.v. Hans Roty in een nieuwe bezetting met gitaar en bariton saxofoon i.p.v. banjo en tuba en een nieuwe band voor IJzerdraat: de Western Jazz Group met o.a. Kees Dollé op cornet. Als nieuwe trombonist, u raadt het al: Bertil Poirier.
Het blijkt dat die Poirier in werkelijkheid Bertil Peereboom-Voller heet; een vaktrombonist die later in het Hilversumse furore maakt als sectietrombonist in de orkesten van o.a.Willem Breuker en Rogier van Otterloo. Heeft Peereboom-Voller een schuilnaam aangenomen om niet aan IJzerdraat gelinkt te worden. Wilde hij, naast het moderne Hilversumwerk, oude stijl jazz blijven spelen en daarin excelleren? Was hij beroepstrombonist? Wat is er geworden van Peereboom-Voller?
Hij moet nu zeker in de tachtig zijn. Ik zou de antwoorden op die vragen, indien mogelijk, graag uit zijn eigen mond vernemen. Contact is tot op heden echter mislukt.
Wie weet er meer ?
 
 

vrijdag 25 januari 2019

Dixieland waar ligt dat

DIXIELAND, waar ligt dat?
 
 
Onlangs kwam Dixieland ter sprake in de media. Daarbij bleek dat de betreffende recessenten en journalisten niet meer precies wisten wat voor soort muziek dat eigenlijk was.
Iets in de buurt van jazz ? Deed voormalig popzangeres Conny van Bergen niet iets in die richting? Werd dit muziekje niet gespeeld op de congressen van de VVD? Wordt er ook bij geïmproviseerd? Bestaat de Dutch Swing College Band nog? Is dat Dixieland?
Duidelijk is dat deze muziekstijl heden ten dage behoorlijk uit de gratie is.
Radio en televisie besteden er geen enkele aandacht aan. De jeugd kent het daarom niet meer en betitelt Dixieland, als ze het ooit ergens horen, als opa muziek, begeleiding bij stomme films.
Dat is wel eens anders geweest. Nederland kende een actief Dixieland circuit. Jazzclubs, verspreid over heel Nederland, programmeerden Dixieland oftewel oude stijl jazzmuziek. Jawel jazz, want met Dixieland is de jazz juist allemaal begonnen.Geïmproviseerde muziek met een thema, een akkoordenschema en een stuwend ritme !
Het eerste orkest dat in 1917 op de plaat te beluisteren was heette niet voor niets de Original Dixieland Jazz Band en verkocht meteen 100.000 platen. Een rage in Amerika zoals nu de dance in Nederland. In de twintiger jaren van de vorige eeuw danste iedereen op Dixieland, de stijl genoemd naar het zuiden van de Verenigde Staten van Amerika, waar het allemaal begon.
Na de tweede wereldoorlog werd Dixieland herontdekt . De revival leverde opnieuw, ook in Nederland, prima Dixieland jazz op, naast nieuwe, verder ontwikkelde vormen van jazz.
Wat is daar van over? Een schaars aantal clubs, geen media ondersteuning, geen kennis, geen opvolging bij de jeugd. Ook Doctor Jazz, het enige tijdschrift dat nog over deze muziek schrijft, kampt met een dalend aantal abonnees en een sterk vergrijzende lezerskring.
 
De term jazz is bovendien verworden tot vergaarbak van allerlei andere soorten muziek.. Een jazzfestival, in de ware betekenis van het woord, bestaat niet meer. De organisatoren trekken bezoekers door juist andere muzieksoorten te programmeren, ze zijn doodsbenauwd om te weinig publiek te trekken. Neem bijvoorbeeld het North Sea Jazz Festival of het Breda Jazz Festival. Het heeft weinig meer met jazz te maken, laat staan met Dixieland, de stijl waarmee het nota bene allemaal begon. Waarom heet het dan nog jazzfestival i.p.v. muziek festival?
Hou er toch eens mee op om de term jazz te misbruiken!
 
Wat te doen? Cruciaal zijn radio en televisie. Durf classic jazz weer te programmeren . Probeer het eens uit met bijvoorbeeld Tuba Skinny, een band uit New Orleans die onlangs in Nederland was, maar niet te zien was bij VPRO Vrije Geluiden. Ook niet bij een klassiek muziekprogramma als Podium Witteman. Waarom niet? Een gemiste kans, fantastische, zeer aangename swingende Dixieland, gespeeld door jonge enthousiaste topmuzikanten.
Theaters, zoek kwaliteitsbands op, hier en in het buitenland, contracteer ze en maak publiciteit Krant en tijdschrift, schrijf over ze, TV, laat ze zien en horen ! Clubs en festivals: Geef Dixieland opnieuw een kans De muziek verdient het! Wie durft?