woensdag 29 april 2020

Paul Whiteman in Nederland

Over de beroemde bandleider/violist Paul Whiteman is veel geschreven, maar nauwelijks over zijn optreden in Nederland in de zomer van 1926.  Paul, geboren in 1890, werd op 28 maart van dat jaar vijfendertig en was in Amerika al een gevierd bandleider. Hij begon zijn carrière als violist in het Denver Symphony Orchestra toen hij zestien jaar oud was, na vanaf zijn zevende tegen wil en dank vioolles te hebben gehad van zijn vader. Tot 1918 was hij als eerste altviolist verbonden aan het San Francisco Symphony Orchestra.
In dat jaar werd hij gegrepen door een nieuwe muziekvorm: de jazz,  maar zijn blauwe maandag als violist in een jazzband werd geen succes! Whiteman was klassiek opgeleid en had grote moeite met improviseren. Hij meldde zich aan bij de marine en kreeg de leiding over het orkest van het marine opleidingskamp. Een jaar later formeerde hij zijn eigen orkest, waarmee hij concerten gaf in hotels en hoofdzakelijk dansmuziek en licht klassiek speelde. In 1920 vertrok dit orkest naar New York en daar werden de eerste platen opgenomen met titels als Whispering, Japanese Sandman en Wang Wang Blues, waarvan er miljoenen werden verkocht. Het orkest had een breed repertoire en speelden nummers waarin de eerste jazzinvloeden al te horen waren. Ondanks die populariteit ging het Whiteman niet snel genoeg. Hij besloot daarom in 1923 de oversteek naar Engeland te wagen. Dat werd geen succes, want er werd hoofdzakelijk dansmuziek gespeeld, en jazz-achtige nummers werden niet gewaardeerd. Bovendien verplichtte de Engelse vakbond Whiteman om Engelse musici in het orkest op te nemen, terwijl die geen gevoel hadden voor de nieuwe Amerikaanse muziekstijl. In augustus keerde het orkest gedesillusioneerd terug naar New York.
Daar bleek de populariteit van de jazz ondertussen flink te zijn gegroeid; volle danszalen en een groeiende platenverkoop. Paul Whiteman realiseerde zich dat hij niet kon achterblijven. Hij gaf componist/pianist George Gershwin opdracht om een Experiment in Modern Music te schrijven, dat door Whitemans arrangeur Ferdi Grofé, werd gearrangeerd en vervolgens op 12 februari 1924 in de Aeolian Hall en op 21 april in de Carnegie, beide in New York, met veel enthousiasme werd ontvangen. De gevolgen bleven niet uit: jazzmuziek kreeg een enorme stimulans en jazzbands in kleine en grotere bezettingen werden overal opgericht. De Whiteman band werd enorm populair en nam honderden platen op. Paul, een forse zwaarlijvige man, waakte als een vader over zijn orkestleden. Bij ziekte betaalde hij het volle salaris door; een uitzondering in die dagen. Zijn grote kracht lag in het organiseren en leidinggeven, het ontdekken en ontwikkelen van nieuw talent en het promoten van jonge componisten. Het publiek adoreerde hem.
In 1926 deed zich opnieuw de mogelijkheid voor om in Europa op te treden en op 31 maart vertrok het orkest met het stoomschip de s.s. Beringida van de Cunard lijn naar Liverpool voor een Europese tournee van vier maanden waarbij ook Nederland op het programma stond.
Eerst werd er gespeeld in Engeland, onder andere voor de Prince of Wales. Deze Edward (VIII) was een jazzliefhebber en amateurdrummer, die tijdens een repetitie mocht meespelen. Toen later aan Whiteman drummer George Marsh werd gevraagd of de prins goed gedrumd had, antwoordde deze: "Hij kan beslist een uitstekende Koning worden."

v.l.n.r. Paul Whiteman met Erna Rubinstein,
Georg Schneevoigt, Carl Flesch en
Judith Bokor, leden van het Residentieorkest 
Na Engeland en Duitsland arriveerde de band op 22 juni per trein in Scheveningen voor een concert in het Kurhaus. Willem Mengelberg, dirigent van het Concertgebouworkest, en Georg Schneevoigt, dirigent van het Residentieorkest, hadden het Paul Whiteman Orchestra vooraf in de pers aanbevolen. Het gezelschap bestond uit 47 personen, (de bandleden plus aanhang), waarvan 28, hoog opgeleide musici in zowel klassieke- als in jazzmuziek.*
Op 22 juni om 20.15 namen 27 musici (Lop Jorman zat op de reservebank) uit de Nieuwe Wereld in smoking en met glad geschoren Yankee gezichten plaats op het Kurhaus podium. Lessenaars werden niet gebruikt. Gecompliceerde arrangementen werden uit het hoofd gespeeld  Er waren geen microfoons, niet voor de (gedempte) solo's en niet voor het vocale trio. Er was alleen de spanning van het publiek. Henry Busse, Teddy Bartell, Matty Malneck, Eddy Sharpe en Willie Hall waren de solisten. De arrangementen waren verrassend vernieuwend. Bigband classic jazz van symfonische kwaliteit, uitgevoerd met groot vakmanschap. Toegang: 5 gulden.
Wat er werd gespeeld: symfonische jazz, afgewisseld met classic jazz. Het openingsnummer was de Mississippi Suite, een compositie van Ferde Grofé. Daarna de Tiger Rag, toen al een classic hot jazz stuk 'met rare lachgeluiden', aldus de NRC recensie en 'wilde 'negerse' variaties' van de klarinet, aldus De Telegraaf. Hierop volgde een Grofé bewerking van Fritz Kreislers Caprice viennois, gewaagd voor liefhebbers van klassieke muziek. Toen dit later in Berlijn werd gespeeld, zat Fritz zelf in de zaal. Hij was zeer tevreden en ging met het orkest op de foto. Na de bewerking volgden Dizzy Fingers, Spain en I'm sitting on Top of the World. Daarna kwam een solostuk voor altsaxofonist Chester Hazlett. Met Castles in the Air (met vocal trio) en Meet the Boys, waarin alle orkestleden werden voorgesteld, eindigde de eerste helft van het concert. Na de pauze volgde de Rhapsody in Blue van George Gershwin met aan de vleugel Harry Perella. Dit maakte grote indruk; de recensies spraken van 'vlinderlichte pianoaanslag, mooie harmonieën en fabelachtige techniek'. Er volgde nog een solostuk voor trombonist Wilbur Hall, niet op trombone maar achtereenvolgens op viool, fietspomp en op tegelijk geblazen trombone en tuba. Met Linger a While, waarin banjoïst Mike Pingitore de hoofdrol speelde, eindigde het concert, waarna een ovationeel applaus volgde. Whiteman sprak een dankwoord uit en zei wel door te willen spelen, maar dan wel met de stoelen aan de kant 'to have a dance'.
Het Amsterdamse concert, de volgende avond in het Concertgebouw, was vrijwel gelijk aan het Scheveningse. Er was vooraf in de pers nog wel enige discussie of zo'n orkest wel kon worden toegelaten in deze tempel van de klassieke muziek in Nederland.
De zaal zat barstens vol en het succes was wellicht nog groter dan in Scheveningen, waar op 24  juni het derde en laatste concert plaatsvond.
Het programma was dit maal enigszins gewijzigd. Er waren naast Circus Day van Deems Taylor drie pure jazzstukken toegevoegd: Tamiami Trail, Spanish Shawl en Clap hands here comes Charley met in alle drie veel solowerk. Dit concert eindigde met Rhapsody in Blue en enkele toegiften. Whiteman bedankte Nederland voor de geweldige ontvangst. Zijn laatste woorden waren:
'Auf Wiedersehen' (!)

Het complete gezelschap in Scheveningen
Later volgden succesvolle optredens in Berlijn, Wenen en Parijs. In Duitsland bezocht Whiteman het conservatorium in Frankfurt waar een jazzafdeling werd opgericht, de eerste in Europa. In Wenen zat componist Arnold Schönberg in de zaal die alle platen van Whiteman kocht en grijs draaide voor een analyse van de orkestraties. In Parijs woonde de componist Darius Milhaud een concert bij. Whiteman ging daar met Ravel op de foto.
Op 24 juli reisde het gezelschap met de s.s. Rotterdam van de Holland-Amerika Lijn terug naar New York. Later zouden de muzikanten zich het Nederlandse publiek herinneren als het meest enthousiast en hartelijkst. Niet voor niets kwam trombonist Bill Rank, die vanaf 1927 tot 1938 deel uitmaakte van het orkest, in 1968 naar Nederland (zie Charley's Club) op aanbeveling van de bandleden die de tournee hadden meegemaakt. Het orkest zou overigens niet meer in Europa komen.
De laatste keer dat het wereldwijd furore maakte, was in 1930 met de première van de Hollywood film The King of Jazz. Daarna verloor het geleidelijk zijn dominante positie in de jazzwereld, om tenslotte in 1940, kort na de viering van het twintigjarig bestaan, te worden opgeheven.
Paul Whiteman bleef een zeer geziene gast in de Amerikaanse muziekwereld. In 1967, op zijn 77-ste verjaardag, werd er nog een speciale gala-avond voor hem georganiseerd, waarbij 300 gasten aanwezig waren. Op 29 december van dat jaar werd hij getroffen door een hartaanval, als gevolg daarvan overleed 'The King of Jazz' in zijn woonplaats New Hope. Een groot man was heengegaan.

* Bezetting:
Henry Busse, Teddy Bartell,Walter Holzhaus, Lop Jorman          trompet.
Boyce Cullen,Jack Fulton, Willie Hall                                          trombone.
Chester Hazlett, Hal Mclean, Eddie Sharpe, Charley Strikfaden   saxen/klarinet.
Kurt Dieterle, Paul Daven, Charley Gaylord, Matty Malneck,
Mario Perry, Neal Sasserson                                                           viool.
John Bowman (Jan Bouman, van NL afkomst),
Julius Mindel                                                                                   altviool
Frank Leocavallo, Bill  Schuman                                                    cello
Harry Perella, Ray Turner                                                                piano
Mike Pingitore, Skin Young                                                            banjo/gitaar
John Sperzel, Walter Bell                                                               tuba/contrabas
George Marsh                                                                                 slagwerk.                     

Bronnen
-Paul Whiteman Vrij Nederland F.B. Hotz en H. Openneer  1987.
-Paul Whiteman, Pioneer in American Music, Don Rayno 2003
-Classic Jazz, The Musicians that shaped Jazz, 2001









dinsdag 31 maart 2020

Afleiding

Een goede manier om in deze bange dagen je gedachten te verzetten is om naar muziek te luisteren. Er wordt geschreven dat muziek troost biedt, troost is bemoediging zegt de Grote van Dale en dat is precies wat we nu nodig hebben.
Classic jazz, is, afgezien van de blues invloed, een type muziek met een doorgaans opgewekt karakter; duizenden mensen hebben er een dansje op gemaakt. De foto's van danszalen uit de twintiger jaren lieten vaak prachtig uitgedoste mensen zien met vrolijke gezichten. Hetzelfde beeld was waar te nemen in de restaurants. Op een volle buik staat een vrolijk hoofd! Die blijheid kon thuis worden voortgezet door de uitvinding van de grammofoonplaat. De kwaliteit van de weergave via niet elektrische platenspelers was veel beter dan men tegenwoordig denkt. Ik ben nog in het gelukkige bezit van een draagbare His Masters Voice platenspeler uit 1924 die jonge mensen in die tijd meenamen naar hun strandfeestjes. Als de naald nog scherp is en de 78 toerenplaat nog niet grijs gedraaid, dan wordt de muziek, zonder elektra, verrassend goed weergegeven. Naast die 78 toeren platencollecties, de LP's en CD's is er nu de computer om classic jazz op te zoeken en de bands en solisten te beluisteren. Over solisten gesproken. Het leek me een aardig idee om in deze duistere dagen een aantal van die solisten in het zonnetje te zetten. Daarbij beperk ik me tot trombonisten, omdat ik daar nu eenmaal iets speciaals mee heb.
Zoek ze op, veel plezier !

Lawrence Brown ( 1907-1988) maakte vanaf 1932 in totaal vijftien jaar deel uit van de trombonesectie van het orkest van Duke Ellington als solist, sectieleider en arrangeur, maar hij was ook een van de beste jazztrombonisten in de jaren daarvoor. Als de zoon van een dominee was hij een vreemde snuiter in de toenmalige jazzwereld, omdat hij nooit rookte, nooit dronk en nooit gokte. Hij studeerde piano, viool en tuba en switchte pas later naar trombone. Hij was ook nog eens student medicijnen.
Lawrence werd vooral bekend in de jazzwereld van Los Angeles en maakt daar in 1929-30 zestien opnamen met Paul Howard's Quality Serenaders. De naam zegt genoeg! Luister naar:
-Paul Howard Quality Serenaders met The  Ramble,  Charlie's Idea, Stuff, Quality Shout. (1929)
CD Timeless Jazz in California 1923-1930


Tommy Dorsey (1905-1956) 'The Sentimentel Gentleman of Swing'. Hij leidde in de Big Band Swing periode  (1930-1940) een heel populaire big band en scoorde verschillende hits zoals I'am gettting sentimental over you en Song of India. Hij excelleerde in het hoge register met een gave,
fluweelzachte toon. Minder bekend is zijn rol in de twintiger jaren. Vanaf 1925 was hij actief in de bands van Jean Goldkette, Paul Whiteman en Roger Wolfe Kahn. Kahn was de zoon van een New Yorkse bankier en kreeg van zijn vader voor zijn verjaardag een geldbedrag om een orkest te kopen. Hij kocht alle topmuzikanten uit de New Yorkse jazzwereld, waaronder Tommy Dorsey. Met zijn broer, de saxofonist Jimmy Dorsey, vormde hij The Dorsey Brothers Orchestra, maar die samenwerking duurde niet lang. Op het podium kregen ze slaande ruzie over het tempo van een nummer dat gespeeld moest worden. Tommy liep het podium af en kwam nooit meer terug. Hij begon zijn eigen band en in 1940 begon Frank Sinatra zijn carrière bij hem. Frank ontleende zijn ademhalingstechniek aan de wijze waarop Tommy trombone speelde. Zeer de moeite waard zijn Tommy's minder bekende opnamen met kleine hot jazz studio bands, zoals:
-Bix Beiderbecke and his Rhythm Jugglers; Davenport Blues. Op trombone: Tommy Dorsey(!)1925
-The California Ramblers: Everthing is a Hotsy Totsy Now en Sweet Georgia Brown ( 1925)
-The Little Ramblers: Don't bring Lulu en Melancholy Lou ( 1925)
-Alabama Red Peppers: Riverboat Shuffle en Eccentric ( 1928)

Jack Higginbotham (1906-1973) kwam uit Cincinnati, net als trombonist Bill Rank (zie Charley's Club). Hij werkte in zijn jonge jaren eerst als kleermaker en later als automonteur bij General Motors, maar besloot in 1924 full-time muzikant te worden, eerst op bugel en later op trombone. Hij werd ontdekt door bandleider Luis Russell die hem van 1928 tot 1931 als solo-trombonist inhuurde. Hij ontwikkelde een onstuimige, opwindende manier van spelen, waarmee hij veel succes boekte. De rest van zijn professionele leven bleef hij spelen in diverse bands onder andere die van Fletcher Henderson en Louis Armstrong, die de band van Luis Russell in 1937 overnam. De laatste jaren speelde hij voornamelijk in kleinere Dixieland bands tot hij overleed aan longproblemen in 1973. Luister naar:
-Luis Russell and his Orchestra: Jersey Lightning en Dr. Blues (1929)
-J.C. Higgingbotham and his Six Hicks: Give me your Telephone Number en Higginbotham Blues(1930)

Jack Teagarden (1905-1964) mag als een van de grootste trombonisten aller tijden in dit rijtje niet ontbreken Toen hij in 1928 in New York aankwam, veroorzaakte zijn manier van spelen een sensatie. In plaats van de kwikzilverachtige, intervalstijl van Miff Mole, de toen meest gevraagde trombonist in de stad, speelde Jack trombone met zijn warme, in elkaar vloeiende noten, een nieuw geluid.
Roger Wolfe Kahn onderkende onmiddellijk zijn talent en zijn orkest maakte een plaatopname met Jack als solist. Luister naar She's a great, great Girl (1928) en je begrijp onmiddellijk waarom Jack Teagardens  platencarrière begonnen was; iedereen wilde hem hebben. Hij koos voor de band van Ben Pollack en bleef vijf jaar aan het orkest verbonden. Daarna klopte Paul Whiteman op de deur en opnieuw tekende hij voor vijf jaar. Dat leek een goed contract in tijden van economische recessie maar Jack zag de stijl van de band veranderen en wilde meer vrijheid. Hij richtte zijn eigen big band op in 1939 en hield dat acht jaar vol.  Toen werd de concurrentie te groot en de boel ging failliet. Louis Armstrong wilde hem hebben in zijn All Stars. Jack krabbelde weer op en speelde vier jaar met Louis. In de jaren daarna had hij zijn eigen Dixieland band. In 1952 maakte hij met cornettist Bobby Hackett en tweede trombonist Abe Lincoln (ooit lid van de California Ramblers en ook een geweldige trombonist)) een van de beste Dixieland LP's ooit. Hij overleed onverwacht in 1964 in zijn hotelkamer aan een hartaanval. Jack heeft zijn unieke, direct herkenbare trombone stijl nooit veranderd. Hij werd ook als vocalist  heel populair en was, tot op de dag van vandaag, een voorbeeld voor ontelbare jazz trombonisten: Platen:
-The Roger Wolfe Kahn Orchestra:  She is a Great Great Girl 1928.
-Bobby Hackett and his Jazzband: Coast Concert opgenomen in de nacht van 18-19 oktober 1955.

Frits Bernard Hotz (1922-2000) was auteur en muzikant en is mijn favoriete Nederlandse trombonist. Frits werd geboren in Leiden. Na een middelbareschoolopleiding bezocht hij de Academie van Beeldende Kunsten en Technische Wetenschappen in Rotterdam. Hij kreeg ondertussen tromboneles omdat hij jazzmuzikant wilde worden. Zijn grote voorbeeld was de Amerikaanse trombonist Miff Mole. Classic jazz, zoals die gespeeld werd door de orkesten van Paul Whiteman, Isham Jones, Bix Beiderbecke en Red Nichols, was de stijl die hem het meest aantrok.
Na de oorlog speelde hij bij verschillende amateur jazz bands in Den Haag en omgeving. In 1949 werd hij gevraagd als beroepstrombonist in de Dixieland Pipers van Eric Krans. Dit gebeurde na een tip van klarinettist Jan Morks, de latere klarinettist van de Dutch Swing College Band, waar Frits ook wel eens inviel. In 1950 maakte hij zijn eerste grammofoonplaat, nog wel met een eigen compositie: de Mister Toto Stomp. Na twee jaar besloot hij zijn eigen band op te richten naar voorbeeld van het Whiteman orkest: de Hotel Savoy Society Syncopeters. Dat bleek te hoog gegrepen. Een orkest met een dergelijk grote bezetting bleek te duur voor jazzclubs en moest al snel weer stoppen.Via Amsterdamse oude stijl jazz muzikanten, cornettist Hans Roty en klarinettist Frits Müller, kwam hij in contact met Hans IJzerdraat en werd hij trombonist in de New Orleans Seven, een fantastische band, waarmee ze in 1958 in de eerste prijs wonnen op het concours van de Nederlands Jazz Federatie in het Kurhaus in Scheveningen. Na een meningsverschil over de stijl (New Orléans versus New York) verlieten een aantal bandleden, waaronder Hans IJzerdraat, de Seven en arrangeerden Hans Roty en Frits een aantal nieuwe nummers in een nieuwe bezetting. Hotz' uitvoering daarvan werd het hoogtepunt van zijn muzikale carrière. Zijn lyrische subtiele toon en zijn technische beheersing van de trombone waren indrukwekkend. Toch was hij niet tevreden. Frits vond dat er te weinig werd gerepeteerd. In een brief aan Roty schreef hij dat er van hun vrijheid (weg bij IJzerdraat) een benauwd en onglorieus gebruik werd gemaakt. Bovendien waren de fans minder enthousiast. De muziek was erg 'bestudeerd' geworden en door de uitgekiende arrangementen weinig spontaan. Eind 1959 betekende dat het einde van de New Orleans Seven.
De breuk met IJzerdraat duurde niet lang. Het verschil in stijlopvatting moest niet overdreven worden. IJzerdraat had een nieuwe band opgericht: The Western Jazz Group. Frits werd opnieuw uitgenodigd en aarzelde niet lang. Hij kende de bandleden en had geld nodig, dus hij accepteerde de uitnodiging. Ook met deze band werden er platen opgenomen waaronder twee singles. Het succes was gering. Na vier jaar waren er 167 exemplaren verkocht. Jazz begon bij jongeren uit de mode te raken door de komst van bijvoorbeeld The Beatles.
Frits hield het voor gezien. Hij liet zijn ambitie varen om professioneel muzikant/arrangeur te worden. Hij trad alleen nog op als gast bij de amateur band The Jazz Pilgrims in café-restaurant De Groote Vink tussen Leiden enVoorschoten. Hij concentreerde zich op zijn schrijverschap en debuteerde in 1976 met Dood Weermiddel en andere verhalen. In 1998 kreeg hij de P.C. Hooftprijs voor zijn hele oevre. Op 5 december 2000 overleed een groot muzikant/auteur en daarmee een uniek mens op 78 jarige leeftijd. Zijn trombone, een Conn met smalle boring, ging naar het Literatuur Museum in Den Haag. Platen:
-The Dixieland Pipers: Mister Toto Stomp-Keyhole Blues Parlophone 78 toeren (1950)
-The New Orléans Seven: Dureco LP 12 nummers, waaronder  Original Slow Drag, Too Bad, St. James Infirmary, What kind of a men is you ( 1956-57)
5 CID  EP's waarvan 1 exemplaar niet op de LP is overgenomen:.Davenport Blues, Hard  Hearted Hannah, Sugar Foot Strut en 't Aint so Honey, 't Aint so ( 1958).
-The Western Jazz Group EP van Imperial met When you were young Maggie ( 1961)

Bronnen:
- Scott Yanow,Classic Jazz, Musicians and Recordings 1895-1933
-Aleid Truijens, Geluk kun je alleen schilderen F.B. Hotz-Het Leven (2011)































vrijdag 7 februari 2020

Charley's Club



Aan de Keizersgracht 324 in Amsterdam staat een majestueus pand: Felix Meritis. Sinds 1982 is dit een Cultureel Centrum, maar het was ooit het hoofdkwartier van de CPN die daar ook de redactie van De Waarheid had ondergebracht. Achterin het gebouw bevond zich de Zuilenzaal, waarvan het hoge plafond werd gesteund door een rij marmeren pilaren, De zaal was door zijn goede akoestiek zeer geschikt als concertzaal en werd verhuurd.
Eind zestiger jaren bestond er in Amsterdam een classic jazzband met kopstukken uit de Amsterdamse oude stijl jazzwereld onder de bezielende leiding van trompettist/saxofonist Frithjof Sterrenburg.
Frithjof, een talentvolle muzikant uit de Amsterdamse school (de kring van Hans IJzerdraat met zijn Western Jazz Group en New Orleans Seven) nam het initiatief voor de oprichting van een eigen orkest Charley's Novelty Orchestra The Crwths. Dit Keltische woord voor lier was een grap om het woord jazz te vermijden en niet meteen in een hokje te worden geplaatst.
De bezetting bestond uit: Frithjof Sterrenburg trompet/altsax/arrangeur, Tom Tukker piano/trompet/trombone, Ré Gruetters tenorsax/klarinet, Pim Gras klarinet/baritonsax, Massimo Götz trombone/piano, Max Vrugt tuba, Dick Klijn banjo, Hans Kip tuba/trombone en Herman Openneer slagwerk. De arrangementen en de stijl van de band konden worden getypeerd als oud blank, anders gezegd de stijl van de classic jazz bands in voornamelijk het New York van de jaren twintig.
Toen tubaïst Max Vrugt moest worden vervangen, omdat hij voor zijn werk naar Engeland vertrok, nodigde Herman Openneer, die mij kende uit de Amsterdamse jazzclub De Blokhut, mij uit Max' plaats in te nemen. Ik kende het repertoire en de stijl, maar er was een probleem: ik had geen tuba, omdat ik trombone speelde. Dat werd snel opgelost, want ik kreeg na een 'sollicitatie' gesprek bij Frithjof thuis een repertoirelijst en een schrift met akkoordenschema's en arrangementen mee, en uit de bandkas werd een tuba aangeschaft. Ik werd vervolgens vriendelijk doch dringend verzocht flink te gaan oefenen.

Het orkest liep als een trein en er werd besloten om een eigen club op te richten. De Zuilenzaal werd een keer per maand gehuurd. De muren werden opgefleurd met zelfgemaakte grote papieren bloemen.  Er werden tafeltjes en stoelen tussen de zuilen geplaatst en er was ruimte om te dansen; Charley's Club was geboren!
Het clublidmaatschap (voor twee personen) was f 3,00 per jaar, de clubtoegang kostte f 1,50 per persoon en de consumpties waren f 1,00. De pers (Het Parool, Vrij Nederland, en De Stem uit Breda) schreef artikelen over de club en het orkest, waardoor er enige bekendheid ontstond. Het resultaat was dat het aantal bezoekers steeds groter werd. Frithjof legde de muzikale lat hoog, zó hoog dat Ré Gruetters het niet meer kon bijbenen en afhaakte. Hij werd vervangen door Wim Deutekom. Er werden stukken gespeeld van onder andere het orkest van Paul Whiteman, zoals 'Side by Side' en 'Whistful and Blue'.
In dat laatste nummer had arrangeur Sterrenburg een chorus geschreven voor 3 trombones (Massimo, Tom en ik) met een eindje dat eindigde op een hoge C. Of ik dat voor mijn rekening wilde nemen? Ja, dat wilde ik wel, blij dat ik ook op trombone een partij mee kon blazen. In 1967 werd in eigen beheer een EP opgenomen met vier nummers in eigen, bijzondere arrangementen.

Massimo Götz was een enorme fan van de Amerikaanse trombonist Bill Rank die speelde in Bix and the Gang, Jean Goldkette and his Orchestra en Paul Whiteman Orchestra. Götz had Bill opgespoord en de test-EP naar hem opgestuurd met de vraag om er commentaar op te leveren.
Dat bleek lovend: "Your band sounds very good and the solo's of the clarinet, trumpet and piano are very good. The style of the arrangements is very much like our records and your arranger did a very good job". Deze tekst kwam achterop de hoes te staan en de 250 exemplaren waren snel uitverkocht. Later werd nog een single opgenomen door platenmaatschappij Imperial met een nummer van The Beatles: 'Honey Pie'. Dit was uiteraard om commerciële redenen, want The Beatles waren toen een rage en de compositie sloot aan bij de stijl van het orkest. Op de B-kant werd een twintiger jaren hit gezet: 'Last Night on the Backporch' met Charley's Vocal Trio met o.a. zangeres Nellie Deutekom, de vrouw van Wim.

Massimo bleef in contact met Bill  (de correspondentie is in mijn bezit). Bill schreef dat hij in 1927, toen hij bij Whiteman kwam, al had gehoord dat dit orkest met veel plezier in 1926 in het Scheveningse Kurhaus had gespeeld; de mensen in Nederland waren er erg aardig en het bier was uitstekend.  Massimo vertelde over Charley's Club en stelde voor dat Bill naar Nederland zou komen, Deze was al van plan om een reis naar Europa te maken, waar hij nooit was geweest. Hij werkte bij een verzekeringsmaatschappij en kon 14 dagen vakantie krijgen. De aanbeveling van zijn Whiteman collega's, inmiddels 41 jaar terug, was hij nooit vergeten, dus zijn plan stond vast: eerst naar Nederland en daarna een paar dagen Engeland.
Op donderdag  11 juli 1968 kwam Bill op Schiphol aan, waar ik toen werkte als assistent van de publiciteitschef.  Met de hele band ontvingen we hem in de Pers- en VIPkamer. Bill, 63 jaar oud, in Amerika vrijwel vergeten en bescheiden van karakter, schreef later dat hij niet wist wat hem overkwam. Met tranen in zijn ogen nam hij het warme welkom in ontvangst. Twee dagen later repeteerde hij met The Crwths. Het eerste optreden was in Charley's Club, hij jamde met The New Orleans Seven in Lanx, trad op in De Blokhut en nam deel aan een opnamesessie in de Zuilenzaal. Bovendien maakte hij met Pim Gras een radio-uitzending voor het programma 'Jazz uit het historisch archief', dat 8 augustus zou worden uitgezonden. Pim liet daarin de opname van 'That's My Weakness Now' horen met Bill en The Crwths. Bill nam daarin de eerste solo voor zijn rekening en blies de sterren van de hemel!

In de zomer van 1969 keerde Bill terug in Amsterdam en speelde hij opnieuw, voor 250 bezoekers, met veel succes in Charley's Club. In de recensies werd gewag gemaakt van een zeer geïnspireerd optreden van The Crwths met gastsolist Bill Rank in topvorm. Alleen begeleid door piano en slagwerk gaf hij een perfecte uitvoering van 'I'm Getting Sentimental Over You', dat hij opdroeg aan zijn oud-collega, trombonist Tommy Dorsey. Bij vertrek naar Amerika zei hij: "Someday I hope to come back, if I am still alive and kicking".
En hij kwam terug: in 1975 op 70-jarige leeftijd, niet in Charley's Club, maar op het Oude Stijl Jazz Festival in Breda, waar hij speelde in een gelegenheidscombinatie. Alleen Dick Klijn, de banjoist van The Crwths, was erbij. Frithjof Sterrenburg was gestopt, zowel met het orkest als met de club.
De opnamen in Felix Meritis uit 1968 en 1969 zijn helaas nooit op de plaat gezet. Waar zijn die tapes eigenlijk gebleven? Wel is er op You Tube een filmpje met de titel 'Bill Rank in Nederland' te zien, geproduceerd door trombonist Victor Bronsgeest. Het geeft een prima overzicht van Bill's verblijf in Nederland en verdient het om veel bekeken te worden. In 1976 nam Bill in Carnegy Hall in New York deel aan een reünie van het Paul Whiteman Orchestra. Een week voor zijn overlijden op 21 mei 1979 in zijn woonplaats Cincinnati, speelde hij nog met de laatste in leven zijnde musici van Jean Goldkette and his Orchestra.
Op dit moment kunnen van Charley's Novelty Orchestra The Crwths, alleen Wim Deutekom, Dick Klijn en de schrijver dezes herinneringen aan Charley's Club ophalen. Ik doe dat met veel genoegen. Sweet memories!

zondag 29 december 2019

De top

Op 8 mei 1905 werd Ernest geboren als zoon van E.W. Nichols, die muziekdocent was aan de Weber State University in Ogden, vlak bij Salt Lake City. Ernest Loring Nichols, bijgenaamd Red - vanwege zijn rode haar - kreeg al heel vroeg muziekles van zijn vader. Op twaalfjarige leeftijd maakte hij als kornettist deel uit van de brassband van zijn vader en leerde zo heel goed muziek lezen. In 1920 werd hij ingeschreven aan de Culver Military Academy, maar ze stuurden hem na twee jaar weg vanwege het regelmatig overtreden van het rookverbod. Hij besloot alsnog beroepsmuzikant te worden in plaats van beroepsmilitair. Zijn eerste grammofoonplaat nam hij op in 1922 met de Syncopating Five en eind 1924 (hij was net 19 jaar) bestond er geen twijfel meer over zijn capaciteiten. Zijn carrière raakte in een stroomversnelling, hij groeide uit tot de meest gevraagde kornettist in New York. Zijn toonvorming was sterk en glashelder en zijn kwikzilverachtige stijl was zeker geen kopie die van Bix  Beiderbecke, zoals wel is gesuggereerd. Als hij Louis Armstrong in de kleedkamer van de theaters tegenkwam, wisselden ze informatie uit over vingerzettingen op de ventielen van hun instrument en dat leidde tot aparte notenkeuze in de solo's. Red en Armstrong beseften allebei dat ze een nieuwe muziek maakten, niet voor zichzelf, maar voornamelijk om het publiek te vermaken. Daarbij vonden ze de juiste balans tussen de artistieke en de commerciële kant van een nieuwe kunstvorm: de jazzmuziek!
Red bouwde een flink netwerk op met Broadwayproducers, platenbazen en bandleiders. Iedereen wilde hem hebben en dat legde hem geen windeieren. Orkestleiders als Sam Lanin, Ed Kirkeby, Ross Gorman, Don Voorhees, Vincent Lopez en Paul Whiteman boden hem korte, maar zeer lucratieve contracten aan. Ook als bandleider van the Arkansas Travelers, the Red Heads, the Louisiana Rhythm Kings en de Charleston Chasers oogstte hij veel succes.
Hij kreeg de meeste bekendheid met zijn Five Pennies. Topmuzikanten als Miff Mole, Jimmy Dorsey, Arthur Schutt, Eddy Lang en Vic Burton maakten deel uit van de bezetting. Ze speelden jazz, die bekend zou worden als de New York Stijl, hot vanwege het stuwende ritme, de verrassende intervallen en de uitgekiende arrangementen, cool vanwege de beheerste techniek en de intellectuele avantgardistische benadering. Het was een muziekstijl die vandaag de dag nog steeds verbazing wekt door vindingrijkheid en technische virtuositeit. Het werd de basis voor wat later moderne jazz zou worden genoemd.
Tussen 1926 en 1932 maakten de Five Pennies veel plaatopnamen met in 1927 de hit: Ida, sweet as apple cider. De bandbezettingen bleven niet beperkt tot 6 muzikanten, Red maakte handig gebruik  van zijn netwerk door,veelal met dezelfde muzikanten, onder meerdere bandnamen met verschillende platenmaatschappijen opnamen te maken. Door zijn strakke aanpak was hij onder muzikanten niet de meest populaire werkgever, maar wel de meest betrouwbare. Na de economische crisis in 1930 bleef hij populair als sessiemuzikant en organisator.
Red trouwde in New York met de revuedanseres Willa Stutsman en ging het toen wat kalmer aan doen. Het echtpaar kreeg een dochter die op jeugdige leeftijd polio opliep. Red besloot het muziek maken vaarwel te zeggen om bij zijn gezin te kunnen zijn. Ze verhuisden naar Californië. Red werkte van 1942 tot 1944, na een opleiding als lasser, op een scheepswerf in Los Angeles. De dochter herstelde en eind 1944 maakte Red zijn comeback bij het Casa Loma Orchestra om daarna een nieuwe versie van de Five Pennies op te richten. Dit orkest werd in de vijftiger jaren een van de betere Dixieland bands in Amerika. Nichols werd in 1959 onverwacht een nationale beroemdheid, Hollywood ontdekte zijn levensverhaal en maakte daar een film van: The Five Pennies (vier Oscar nominaties) met Danny Kaye in de rol van Red, die zelf de trompetpartijen inspeelde. Zijn oude muziekvriend Louis Armstrong was ook van de partij! Nichols genoot de laatst vijf jaar van zijn leven opnieuw van muziek maken. In 1965 overleed hij in Las Vegas aan een hartaanval, 60 jaar oud.

Over de top gesproken: in november 2019 vond in Engeland weer de International Jazz Party plaats in Whitley Bay. Op dit festival traden bands op die speciaal zijn samengesteld om live jazz te spelen, zoals het vroeger geklonken moet hebben. In 2018 traden Mike Davis en zijn Red Nichols Orchestra op.
Mike is een kornettist uit New York die zich heeft gespecialiseerd in de New York Stijl en hoe!
Luister via YouTube onder andere naar Corn Fed, Hurricane en Buddy's Habits en ontdek dat Red Nichols live zo geklonken moet hebben en.... er ook zo ongeveer moet hebben uitgezien!
Dit jaar haalde Mike weer een geweldig niveau met zijn Goofus Five band en nummers als Poor Papa en Ain't that a Grand and Glorius Feeling.....Dat gevoel is zeker aanwezig als je vandaag de dag deze muziek op video kunt zien en horen als eerbetoon aan een onvergetelijke muzikant: Red Nichols.
Geniet!

Bronnen:

Scott Yanow: Classic Jazz 1895-1933
R.M. Sudhalter; Lost Chords 1915-1945
Grady Johnson: The Five Pennies 1959
Youtube: The International Jazz Party: 2018-2019

donderdag 14 november 2019

De jonge Bing


Als je de carrières van de vocalisten in de classic jazz bekijkt dan blijken die vaak ondergeschikt te zijn aan die van de instrumentalisten. De rol van vocalisten was beperkt en in de beginjaren van de jazz zongen ze met hun vaak klassieke opleiding verre van 'jazzy'. Er was één uitzondering: Bing Crosby, geboren op 3 mei 1903 als Harry Lilles Crosby in Tacoma Washington en vierde kind uit een familie met zeven kinderen. Hij kreeg wat zanglessen van zijn moeder, maar stopte daarmee toen hij in 1917 bij een optreden was van Al Jolson. Bing draaide al diens platen en kreeg op die manier de smaak te pakken. Via een postorderbedrijf (niets nieuws onder de zon) kreeg hij van zijn ouders een drumstel en werd hij opgenomen in de schoolband als drummer/vocalist in zijn woonplaats Spokane.
In 1921, tijdens zijn rechtenstudie maakte hij kennis met Miles Rinker, die hem in zijn band, de Musicaladers, opnam. In die tijd gebruikten veel bands vaste arrangementen die als bladmuziek in muziekwinkels te koop waren. De Musicaladers deden dat niet. Zij speelden daardoor veel vrijer, improviseerden en werden met hun popmuziek van die tijd zo populair dat ze drie keer per week optraden. Bing hing zijn net begonnen loopbaan als advocaat aan de wilgen. Hij ontmoette Al Rinker, de broer van Miles en diens zus Mildred. Zij ging haar geluk in Los Angeles als zangeres beproeven en haalde Bing en Al in 1925 over om daar ook daarnaartoe te komen. Er was geld te verdienen. Ze reden in een oude T-Ford naar de Westkust. Al Rinker begeleidde Bing als vocalist op de piano bij hun optreden in cafés en restaurants. Mildred, inmiddels Mildred Baily, maakte furore als zangeres. Het duo maakte gebruik van haar contacten om optredens te boeken. Bing zong, speelde kazoo en floot op zijn vingers. Op het repertoire stonden al nummers als San, China Boy en Copenhagen. Het ging zo goed, dat ze werden uitgenodigd voor een optreden in het Metropolitan Theatre in Los Angeles.

De manager van het Paul Whiteman orkest, Jimmy Gillespie, zat in de zaal en op zijn aanbeveling nodigde de King of Jazz, Paul Whiteman, het duo uit voor een auditie. Ze werden gecontracteerd en zouden voor het eerst gaan optreden met het orkest van Whiteman in Chicago in december 1926. Onderweg naar die stad maakten ze een tussenstop in hun geboortestad Spokane voor een concert. Ze verdienden 400 dollar, in die tijd een flink bedrag, dat helaas uit hun kleedkamer werd gestolen. Whiteman had inmiddels een derde vocalist ingehuurd: Harry Barris. Hij werd toegevoegd aan het duo Crosby/Rinker en de Rhythm Boys waren geboren! Het nieuwe hot vocal trio was meteen een doorslaand succes. Er was echter één probleem. Gedurende de show van de Whiteman band hadden ze een beperkte inbreng. Lang niet alle nummers werden gezongen.  Whiteman wilde ze gedurende de show op het podium houden en gaf ze een gitaar en een viool. Daarmee namen ze plaats in de viool- en ritmesectie van de band en deden ze alsof ze meespeelden. Dat veroorzaakte nu en dan een storend geluid voor de andere musici. Het probleem werd opgelost door de instrumenten van rubberen snaren te voorzien. Een tegenvaller waren de concerten in New York. Het publiek in die stad  had weinig op met de Rhythm Boys en vond het een hinderlijke onderbreking van de orkestmuziek. Het theater management besloot het trio dan maar in te zetten als assistent-toneelmeesters.
Pas toen zij nummers uit de musical Showboat (Make Believe en Ol'Man River) op het repertoire zette, oogstten ze succes.

In New York logeerden de orkestleden in het Belvedère Hotel. Bings kamergenoot was Bix Beiderbecke, een van de topsolisten van de Whiteman band. Hij was een uitzonderlijk talent met een superieur muzikaal oor en een unieke stijlopvatting. Bing vond hem op piano nog beter dan op cornet. Bix was een serieuze bewonderaar van moderne Amerikaanse componisten, zoals Eastwood Lane, Cyril Scott en Edward Macdowell. Met saxofonist Fud Livingston, banjoïst Howdy Quicksell, saxofonist Jimmy Dorsey waren er lange gesprekken over muziek. Bix dronk daarbij behoorlijk, maar Bing noemde hem geen alcoholist; er waren dagen dat hij totaal geen alcohol gebruikte. Hij klaagde over zijn gezondheid en een zere lip, maar kreeg de pest in als daarnaar geïnformeerd werd. Bix sliep slecht en was zo rusteloos dat hij middenin de nacht met Bing van bed wilde ruilen. De laatste jaren sierde een borstelige snor zijn gezicht. Die wilde hij absoluut niet afscheren, omdat dit zijn lip zou kunnen verzwakken. De cornet was altijd bij de hand, in de koffer of in een papieren zak. Na optredens met de Whiteman band jamde hij met iedereen die hem daarvoor uitnodigde. Zijn gebrek aan slaap en zijn geestelijke uitputting braken hem uiteindelijk op; hij overleed op 28-jarige leeftijd.

Een andere topmuzikant was Eddie Lang, de gitarist van de Whiteman band. Eddie was van Italiaanse afkomst, had geen enkele opleiding gehad en las niet van bladmuziek, maar als hij één keer een arrangement speelde, vergat hij het nooit meer. Eddie werd Bings vaste begeleider. Hij had voortdurend last van keelpijn. Dat had zo'n effect op zijn functioneren dat Bing hem sterk aanraadde om een dokter te raadplegen. Van dat advies heeft Bing zijn hele leven spijt gehad. De dokter besloot om Eddie's amandelen te knippen. Hij kreeg een verdoving, maar werd niet meer wakker. Hij werd slechts 30 jaar.
Er waren diepte- en hoogtepunten voor Bing tijdens zijn verbintenis met Whiteman. Dieptepunten waren het verlies van Bix en Eddie. De hoogtepunten waren de oprichting van de Rhythm Boys met Harry Barris en de plaatopname van Mississippi Mud, een compositie van Barris. Een ander hoogtepunt was de opname van Whistful en Blue met de Whiteman band. Met die opname, in een arrangement van violist Matty Malneck, introduceerde Bing een nieuwe stijl van zingen.

Aan het succes van de Rhythm Boys kwam een eind. Ze werden gemakzuchtig en studeerden nauwelijks nog nieuwe nummers in. Ze bezochten nachtclubs, zoals de Cotton Club van Duke Ellington, speelden te veel golf, misten treinen, raakten hun bagage kwijt en kwamen te laat voor optredens. Ze werden komedianten die flauwe grappen maakten, terwijl het publiek ze wilden horen zingen zoals op hun grammofoonplaten.
Whiteman zag het met lede ogen aan. Er dreigde ontslag. Toen kwam er in 1930 een uitnodiging om een film te gaan maken: The King of Jazz.  Dat onderbrak de routineuze optredens. Ze gingen met de trein naar Hollywood en werden ondergebracht in het hotel van de Universal Studios. Het script voor de film bleek nog niet klaar. Ze moesten wachten en kochten auto's om de tijd te doden. Na een maand keerden ze terug naar New York. Ondertussen werd het script met vereende krachten afgemaakt, dus gingen ze uiteindelijk allemaal weer terug naar Hollywood. Bing bracht daar met zijn auto en een slok op een vriendin terug naar haar hotel en veroorzaakte een aanrijding. Hij kreeg 60 dagen gevangenisstraf. Zijn optreden in de film met Song of the Daw verviel hierdoor en John Boles nam de rol over. Bleef over zijn geplande vertolking van A Bench in the Park. Daar was zo snel geen vervanger voor te vinden. De studio greep in; Bing mocht een paar dagen naar de filmset onder begeleiding van een politieagent. Die man had de tijd van zijn leven! De scene werd opgenomen en Bing zat daarna zijn straf verder uit. Na voltooiing van de film ging de Whiteman band op tournee langs de Westkust. In Portland kreeg Bing een aanvaring met Paul. Er kwam een zwarthandelaar naar het theater die beweerde dat Bing hem geld schuldig was. Bing ontkende dat. Paul wilde geen toestanden en betaalde de handelaar tegen Bings zin. Whiteman was woedend: eerst dat gedoe in Hollywood en nu dit weer. Bing werd na het optreden in Seattle ontslagen en daarmee eindigde het optreden van de Rhythm Boys met het orkest van Paul Whiteman. Ze kregen daarop een baan bij het orkest van Gus Arnheim in de Coconut Grove in Los Angeles. Daar ontmoette Bing de danseres Dixie Lee, waarmee hij zou trouwen en vier kinderen kreeg, waaronder een tweeling. Niet veel later kreeg hij een contract voor een aantal films onder regie van Max Sennett. Dat betekende het definitieve einde van de Rhythm Boys en het begin van Bings filmloopbaan. Over zingen zei hij dat hij had geleerd niet naar zijn eigen stem te luisteren; dat moest het publiek doen. Een liedje moest niet plichtmatig afgeleverd worden. De woorden zijn belangrijk en moeten oprecht en met gevoel worden overgebracht, passend bij het beeld en de stemming die het liedje oproept. Bing werd de populairste radiovocalist van Amerika. Zijn warme baritonstem was welkom in iedere Amerikaanse huiskamer. Zijn grammofoonplaatsuccessen zijn niet te tellen. Ook als filmster werd hij zeer succesvol. Hard gewerkt? Offers gebracht? Welnee, hij heeft gewoon gedaan wat hij leuk vond en daarbij veel geluk gehad! Bing overleed op 14 oktober 1977 in Madrid aan een hartstilstand tijdens een partijtje golf, zijn lievelingssport!

Bronnen:
-Bing Crosby. Biography by John Bush
-Paul Whiteman, Pioneer in American Music, Don Rayno
-Timeless CD, The Histrical Bing Crosby, Brian Rust
-Call me Lucky, Bing Crosby.

donderdag 3 oktober 2019

Een vroege dood

Als je de biografieën van topmuzikanten uit de classic jazz naleest valt het op hoe kort sommige carrières zijn geweest. Jong talent werd gegrepen door jazz, de popmuziek van hun tijd. Velen besloten om muzikant te worden. Met een instrument dat in ieder geval werd gebruikt in een jazzband. De klassieke line-up was trompet/cornet, saxofoon/klarinet en trombone in de blazers sectie en banjo/gitaar, tuba/bas, piano en slagwerk in de ritme sectie. De blazers werden in de loop der tijd verdubbeld, waardoor partijen meerstemmig konden worden uitgeschreven. Jazz musici moesten, naast goed kunnen improviseren, foutloos muziek kunnen lezen. Een uitdagende combinatie!
Het ontstaan van jazzmuziek (dansbare muziek met een thema, improvisatie en een stuwend ritme) was een reactie op een sombere, donkere tijd na een wereldoorlog 1914-1918 die zijn weerga niet kende. Marsmuziek, plantage deuntjes, blues en gospels (om een paar stijlen te noemen) werden als een pittig eenpansgerecht bij elkaar gegooid. De jazz was geboren.
 De jeugd vond het prachtig. Er werd volop gedanst, gegeten en gedronken. Nieuwe cafés, restaurants en danszalen schoten als paddenstoelen uit de grond en de pas gevormde jazzbands kregen meteen veel werk ! Professioneel werk, waarmee je veel geld kon verdienen. Sommige musici bij het orkest van Paul Whiteman verdienden 350 dollar per week. Ter vergelijking: In 1924 kostte een T-Ford  290 dollar.
Veel bands maakten per trein tournees door heel Amerika. De Original Dixieland Jazzband reisde per schip in 1919 al naar Engeland en speelde met veel succes in Londen De eerste 78-toeren grammofoonplaten kwamen uit. His Masters Voice bouwde mobiele platenspelers (leuk voor tuin-en strandfeestjes) en de net uitgevonden radio draaide jazzplaten en organiseerde programma's met live jazzbands in de studio's. Het was hard werken voor de heren musici. Om 10.00 uur 's morgens repeteren en plaatopnamen maken, 's middags matinee uitzendingen voor de radio, en 's avonds optreden, soms twee keer per avond in clubs, restaurants en danszalen. Een muzikant in een jazzband was nooit thuis en had geen familieleven. Het technische niveau van de individuele musici werd uitzonderlijk hoog door het vele optreden, zeker in vergelijking met het vaak amateuristische niveau van heden ten dage. Te weinig slaap en teveel sterke drank (gedurende de drooglegging zat er wodka in de sinasappelsap) waren echter een aanslag op hun gezondheid.
Op jonge leeftijd was het muziek maken begonnen, op jonge leeftijd kon het afgelopen zijn.
 Een overzicht van een aantal kopstukken, geboren rond 1900, levert een ontluisterend beeld op:

Bix Beiderbecke, die behoort tot de beste Amerikaanse cornettisten, wordt geboren in 1903 en overlijdt in 1931, slechts 28 jaar oud. Volkomen aan de drank komt hij alleen in een hotelkamer om het leven door een dilerium tremens, gecombineerd met een longontsteking. Hulp komt te laat.
Don Murray, ook een zware drinker en klarinettist in de band van Bix loopt tegen een auto aan en wordt opgenomen in een ziekenhuis  Tegen het advies van de arts in blijft hij stevig drinken en overlijdt vijf dagen later, net voor zijn 25-ste verjaardag.
Min Leibrook, sousafonist in de Wolverines, de eerste band van Bix, wordt slechts 40 jaar. Sterling Bose en Chelsea Quealy, beiden cornettisten in de stijl van Bix worden respectievelijk slechts 52 en 45 jaar. Sterling wordt ongeneeslijk ziek en pleegt zelfmoord, Chelsea overlijdt aan hartfalen. Luister naar Sterlings prachtige cornet begeleidingspartij achter de vocal van zangeres Greta Woodson in Just Imagine, een opname van het orkest van Jean Goldkette.
George Gerswin, begenadigd pianist/componist overlijdt op 38-jarige leeftijd aan een hersentumor. Johnny Dodds, (1892-1940) klarinettist in het orkest van King Oliver overlijdt aan een hartaanval. King Oliver zelf wordt slechts 43 jaar. Zijn trombonist Honoré Dutrey haalt dat niet eens en wordt 40 jaar.
Jimmy en Tommy Dorsey, fantastische muzikanten in de absolute top van de jazz, runnen samen een orkest: The Dorsey Brothers Orchestra. Luister naar hun opname van The Spell of the Blues !
Dat duurt tot 1935. Dan krijgen ze ruzie, midden in een optreden over het tempo van een nummer dat ze gaan spelen.Tommy loopt woest het podium af. De band houdt ter plekke op te bestaan. Ze vormen ieder hun eigen band en overlijden vlak na elkaar, Tommy op 51 en Jimmy op 53-jarige leeftijd.
Meester gitarist Eddie Lang sterft op 30-jarige leeftijd ten gevolge van een operatie aan zijn amandelen. Bessie Smith overlijdt op 43-jarige leeftijd als gevolg van een auto ongeluk. Hulp komt te laat.
Top trombonist Charley Green, 36 jaar, komt na een optreden laat thuis, kan zijn voordeursleutel niet vinden en besluit buiten op de mat te gaan slapen. Helaas voor Charley vriest het die nacht dat het kraakt. Hij overleeft het niet.
De dood van Adrian Rollini,de beste bassaxofonist in de classic jazz, was jarenlang een mysterie. Rollini was eigenaar van een hotel-restaurant in Florida. Hij werd onder het bloed gevonden in zijn parkeergarage. Eerst werd aangenomen dat het om een onderwereld afrekening ging. Later bleek dat het een ongeluk was met een auto. Hij werd opgenomen in een ziekenhuis waar hij overleed. Niet aan zijn verwondingen, maar aan een kwikvergiftiging. Tijdens een kunstmatige voeding, uitwendig uitgevoerd direct naar zijn maag, brak een glazen buisje. Het was verzwaard met kwik om het op zijn plaats te houden.
Veel te vroeg overleden de top trombonisten Jack Teagarden (59), jarenlang in Louis Armstrong's All Stars, Tricky Sam Nanton (42), solist bij het Duke Ellington Orchestra en Jimmy Harrison (30) solist bij het Fletcher Henderson Orchestra. Het werd 'lonely at the top' Een specifiek trombonisten probleem? Nee, gelukkig gaan ze tegenwoordig niet allemaal vroeg dood.

Hans Kip (74)

Bronnen:
Scott Yanow- Classic Jazz The musicians & recordings
Interview met Bill Rank Amsterdam.
Leonard Feather- The Encyclopedia of Jazz
Herb Sanford- Tommy and Jimmy Dorsey: The Dorsey Years
R. Sudhalter- Lost Chords





maandag 26 augustus 2019

Boedapest

BOEDAPEST

Voor de val van de muur in 1989 traden we met Andors Jazzband op in Praag en Bratislava, toen nog steden inTsjecho-Slowakije en in de hoofdstad van Hongarije Boedapest. Bandleider Andor Lukacs had daar verschillende contacten o.a. door zijn werk bij Unilever.
De sfeer in Praag was bijzonder. De Tsjechen werden na de Tweede Wereldoorlog bevrijd door de Russen. Alleen er was een groot probleem. De Russen waren nooit meer weggegaan en de bevrijding werd door de Tsjechen ervaren als een bezetting. Overal in Praag hingen rode spandoeken en vlaggen die het communisme als de enige waarheid bestempelden. Jazzmuziek werd als kapitalistische uitwas oogluikend toegestaan. Via internationale radiostations en grammofoonplaten was het te beluisteren. Er was een kleine groep jazzmuzikanten, die vaak in beslotenheid repeteerden en optraden. Met deze mensen had Andor contact. Zij zorgden voor onderdak en vervoer naar onze optredens o.a. in het Praagse conservatorium van Praag, in de radiostudio en op een klein festival in de stad. Het veelal jongere publiek was verrukt. Jazz, live uit het Westen, was voor hen een openbaring !  De optredens waren mogelijk omdat de overheid toch voorzichtig met de tijd mee wilde gaan, maar dan wel met de nodige controle.
In Hongarije gebeurde hetzelfde. Ook ik kwam door mijn werk in Hongarije terecht. Publicis International uit Parijs vroeg me in 1993 in Boedapest een reclame- en marketing bureau te vestigen als uitbreiding van het Europese netwerk voor een periode van drie jaar, wat uiteindelijk zes jaar zou worden. Ik ben direct op zoek gegaan naar classic jazz. Ik vond het in de club van de Benko Dixieland Band, een jazzband, die al in de communistische tijd was opgericht als public relations onderdeel van de communistische partij. Een matig orkest met een matige ritmegroep die van alles deed, behalve swingen. De Dutch Swing College band was, naast Amerikaanse en Britse revival bands, hun voorbeeld.
Dan de Hot Jazzband ! Een band van enthousiaste studenten onder leiding van Tamas Benyei
Ze traden op in een Chinees restaurant op het balkon, boven het publiek. Bandleider Tamas bleek een prima trompettist/banjoïst te zijn met een grote bewondering voor Amerikaanse jazz uit de twintiger jaren. De Hot Five en Hot Seven van Louis Armstrong waren zijn favorieten. Als vocalist leerde hij de Engelse teksten fonetisch uit zijn hoofd. De bandleden spraken nauwelijks Engels. De trombonist was vaak verhinderd, waardoor ik ( ze kenden me van Andors Jazzband) zes jaar lang met veel plezier regelmatig met ze mocht optreden. Het orkest werd tijdens een concert live geïnterviewd door de Hongaarse televisie.  Ik kreeg als eerste een microfoon onder mijn neus gedrukt, die ik snel doorgaf aan een Hongaars bandlid, stamelend dat ik op mijn beurt geen woord Hongaars sprak.

In 1994 kwam er in een hoofdstraat van Boedapest een nieuw café, Beckett's Irish Pub. De inrichting kwam kant en klaar met containers uit Dublin met als prominent onderdeel een ruim podium voor een band. Het management zocht een huisorkest en de opdracht om zo'n band samen te stellen ging naar een Zweedse banjoist/gitarist Ulf Sandberg, net als ik een expat in Boedapest. Hij noemde de band: The Sultans of Swing, de titel van een hit van de Engelse popband  Dire Straits
Met hulp van Tamas kwam er een Zweeds/Hongaars/Nederlandse bandbezetting tot stand. Ik werd gevraagd als  trombonist. De Zweed was gek van Lu Watters Yerba Buena Jazz Band. Die stijl werd ons voorbeeld met Tamas regelmatig op tweede trompet. We speelden iedere week met veel succes in Beckett's.Topnummer: Broken Promises. De Hongaren en leden van de internationale gemeenschap stonden in de rij om binnen te komen.

Op een woensdag kreek ik bezoek van mijn Franse baas uit Parijs, die kwam kijken hoe het bureau in Boedapest er voor stond. Ik haalde hem af van het vliegveld, maar had mij voorgenomen niet over mijn Hongaarse muziek hobby te praten, omdat je nooit weet wat anderen  over zo'n specifieke muziekhobby kunnen denken, laat staan je Vice-President International. Daar dacht mijn team op het bureau heel anders over. Zonder dat ik het wist namen ze hem s'avonds mee naar Beckett's. Vanaf het podium zag ik hem binnenkomen.
Begeleid door twee bureau medewerkers, liep hij naar een gereserveerde tafel, net voorbij het podium waar de Sultans stonden te spelen.  Er gebeurde eerst niks, maar vlak bij de tafel draaide hij zich met een ruk om, keek naar het podium en riep;" Is that you Hans ?", wijzend naar mijn trombone. Hij had een geweldige avond. Later vertelde hij dat zijn dochter heel goed viool studeerde aan het conservatorium in Parijs en dat hij daar geweldig trots op was.

Een jaar later was ik met hetzelfde Franse directielid op bezoek bij de nieuwe Publicis vestiging in Moskou.We waren uitgenodigd voor een balletvoorstelling van het Zwanenmeer in het Bolshoi Theater. De voorstelling begon om 8 uur, maar om eerst dat prachtige theater te bekijken arriveerden we wat vroeger. Er waren nog nauwelijks bezoekers. Na onze stoelen gevonden te hebben, liep ik door naar de orkestbak, waar op de lessenaars de bladmuziek klaar stond. De lampjes boven de lessenaars floepten aan. Tot mijn verbazing kon ik zien dat het openingsstuk het Franse volkslied La Marseillaise was. Dat wetende liep ik terug naar mijn stoel en zei tegen mijn Franse collega dat er ter ere van zijn bezoek aan Moskou een verrassing was geregeld.
Hij keek mij ongelovig aan en wachtte op wat er komen ging. De zaal liep vol, het licht werd gedempt, de orkestleden namen hun plaatsen in. De dirigent ontving een welkoms applaus en tikte af. Machtig klonk de Marseillaise door het Bolshoi Theater. De Fransman viel bijna van zijn stoel. Op hetzelfde moment ging er een spot aan, gericht op de ereloge. De Franse premier Juppeé bleek op staatsbezoek in Moskou te zijn en was die avond te gast in het Bolshoi.

Hoe is het nu ? De Benko Dixieland band bestaat nog. De Hot Jazz Band  heeft een groot aantal CD's gemaakt en Hongaarse volksliedjes in classic jazz stijl in het repertoire opgenomen. Dit tot groot plezier van de Hongaren die, zoals is gebleken, zeer nationalistisch zijn ingesteld.
.De Sultans of Swing zijn naar huis gegaan. Het was mooi geweest.




zaterdag 6 juli 2019

De festivals


Veel steden in Nederland organiseerden al decennia lang, meestal in de zomermaanden, festivals of competities waarbij classic jazzmuziek gedurende een aantal dagen live te horen was in het centrum van een stad. Er bestond in Nederland zelfs een Nationale Dixieland Trofee die door een jury werd uitgereikt aan het beste orkest dat aan zo'n competitie meedeed. Door deelnemende bands werd vooraf stevig gerepeteerd; de muzikanten konden individueel de solistenprijs winnen. Helaas zijn er van dit soort evenementen nog maar weinig over. Wat is er gebeurd?
Breda was jarenlang letterlijk toonaangevend. De stad bezat een flink aantal oude stijl jazzbands en een goed draaiende jazzclub. Het jaarlijkse Breda Oude Stijl Jazz Festival in mei was het hoogtepunt van alle activiteiten. Er trad een selectie van bands uit binnen- en buitenland op. Uit Frankrijk waren dat de bands rondom cornettist Jean Paul Morel, uit de U.S.A. trombonist Dan Barrett. Uit Australië multi-instrumentalist Tom Baker en uit Engeland trombonist Roy Williams en vele anderen. Zelf heb ik de beste herinneringen aan de Night of the Slide. De Pink Elephant Serenaders speelden met 3 trombonisten (Victor Bronsgeest, Leo Sluimers en ik) nummers als 'San', 'My Melancholy Baby' en 'My Blue Heaven'. In een ander jaar hadden we veel succes met een speciale bezetting onder leiding van de Duitse saxofonist Claus Jacobi, waarmee we een Bix Beiderbecke repertoire speelden onder de titel Bix Revisited. Een opname hiervan is te vinden op de festival CD uit 1990. Nieuwsgierig zocht ik het programma van dit jaar op. Wie speelden er op het Breda Festival? Al langer was me opgevallen, dat uit de naam van het festival, de woorden 'oude stijl' waren weggelaten. Uit de programmering bleek waarom: van de 125 deelnemende artiesten/groepen vielen er slechts 23 onder de noemer classic jazz, waarvan 13 looporkesten die veelal bestaan uit veel blazers en een mobiele ritmegroep. Je kunt ze 4 dagen tegenkomen in de straten van Breda. Ook in New Orleans begon het ooit zo, maar dan ter gelegenheid van begrafenissen of Mardi Gras, het Amerikaanse carnaval. De oude stijl heeft zich daarna in Amerika verder ontwikkeld in kwaliteit, muzikaliteit, repertoire- en instrumentbeheersing. Het lijkt er op dat men in Breda (wellicht onder druk van de horeca) eind mei gekozen heeft voor terugkeer naar het carnaval met een bijbehorend evenementenpubliek. Gezelligheid kent geen tijd met bier, leut en goedwillend muzikaal amateurisme. Niks mis mee, maar een mooie classic jazzband moet je in de programmering met een lampje zoeken. Zijn ze in 2019 zo moeilijk te vinden? Ik geloof er niets van. Mocht het wel zo zijn, verander de festival naam dan in Breda Mardi Gras en nodig volgend jaar alleen looporkesten uit!


Dan het North Sea Jazz festival. De organisatie gaat er prat op jazzmuziek te programmeren van vroeger, vandaag en de toekomst. Maar vroeger kunnen we rustig vergeten; van de oorspronkelijke Haagse school (Den Haag was toch in Nederland het centrum van de classic jazz ) is geen spoor meer te bekennen. Er is geen enkele oude stijl jazzband in het programma te vinden. Sterker nog, je vraagt je af waarom ze het nog een jazzfestival noemen. Het is een puur commerciële aangelegenheid, georganiseerd door Mojo Concerts. De naam Jazz is alleen bedoeld om geen totale breuk met de traditie te veroorzaken. Het gros van de bezoekers zal het weinig interesseren of die muziek nou wel of niet zo heet. Ook hier komt evenementenpubliek. Het wil horen, zien en gezien worden. Drie dagen van lekkere, veelsoortige muziek, maar dan wel gespeeld door professionele muzikanten. Voor die formule worden fikse toegangsprijzen betaald. Trots meldt de Volkskrant dat Mahalia (21) uit het Engelse Birmingham, zal optreden op North Sea Jazz en vijf geweldige popliedjes (?) heeft geschreven. Jazz is geen criterium; de vlag dekt al heel lang de lading niet meer.
Je zou mogen verwachten dat North Sea Jazz eens een eerbetoon organiseert aan vroeger, d.w.z. aan classic jazz. Noem het een 'tribute.' Aan bijvoorbeeld The Dorsey Brothers Orchestra. Huur de Big Chris Barber Jazz Band in. Laat ze 'The Spell of the Blues' spelen met de fabelachtige solo van 2e trombonist Bob Hunt. Of de 'Jubilee Stomp' van Duke Ellington.
 Vakwerk! Ik vrees dat het niet gaat gebeuren. Waarom zou je een eerbetoon aan classic jazz organiseren als je die muziek al jaren bent vergeten?

Wat nu? Is er nog een festival dat de classic jazz wel in ere houdt? Jazeker, maar je moet er wel voor naar Engeland. In Whitley Bay bij New Castle vindt ook dit jaar weer van 1 t/m 3 november de International Classic Jazz Party plaats. De organisatie heeft hiervoor een groep van 34 vooraanstaande classic jazzmuzikanten uitgenodigd, waaruit verschillende bands worden samengesteld. Het publiek kan uit meerdere stijlen van classic jazz kiezen. Dit jaar onder andere van: McKinney's Cotton Pickers, The Goofus Five, The Jean Goldkette Orchestra, When Bix meets Louis, en de bands van King Oliver. Als gastorkest treedt op The Vitality Five uit Londen. Het doel is om live te laten horen hoe orkesten uit het verleden hebben geklonken, waarbij de solisten uiteraard op hun eigen manier de solopartijen invullen. Naar dit festival komen liefhebbers uit heel Europa en Amerika die in het hotelcomplex, waar het festival wordt gehouden, kunnen overnachten. Dat publiek is minder talrijk dan in Breda of Rotterdam, veelal wat op leeftijd, maar gelijk gestemd. Er wordt een Young Talent Award uitgereikt om daarmee jonge muzikanten te stimuleren zich verder te ontwikkelen. Dat alles moet in Nederland toch ook kunnen? Mooie locaties, een interessante doelgroep en knowhow, dat is allemaal voldoende aanwezig!

Classic jazzliefhebber, de keuze is aan u. Als u voor Engeland kiest, krijg u waar voor uw geld. Mijn kleindochter Lena, 10 jaar oud, vatte het allemaal kort samen, toen ze live classic jazz hoorde spelen: 'Dat is opa muziek!' zei ze.
Daar moet u het dan wel mee doen!










de festivals

dinsdag 28 mei 2019

De Babe Ruth van de trombone


Eén van de meest aangrijpende verhalen uit de geschiedenis van de classic jazz gaat over trombonist Irving Milfred Mole, geboren op 11 maart 1898. Zijn ouders, William en Elizabeth Mole, waren van oorsprong Engelsen en woonden in Roosevelt op Long Island bij New York. Thuis werd Irving kortweg Miff genoemd. Al heel jong kreeg hij van zijn vader vioolles; pa was van beroep huisschilder en speelde als bijverdienste viool in een orkestje dat stomme films begeleidde en feesten en partijen opluisterde. Miff verving zijn vader regelmatig en leerde zichzelf ondertussen piano spelen. Het was een zeer muzikale jongen, dat was duidelijk. Toen hij trombonisten hoorde in een brassband bij hem in de straat, besloot hij dat de trombone zijn instrument moest worden. Dat leerde hij door de noten eerst op de piano aan te slaan en ze dan op de trombone met de schuif op te zoeken. Zijn ervaring op viool kwam daarbij goed van pas, want de viool moet je op gehoor spelen en de trombone ook. Er zitten immers op de snaren geen merktekens die de noten markeren, net zo min als op de schuif,
Vanaf zijn zestiende jaar nam hij professioneel tromboneles. Hij hoorde en speelde de eerste jazz in cafés en restaurants. Op zijn achttiende werd hij trombonist van The Original Memphis Five, een vijf mans band, naar voorbeeld van de Original Dixieland Jazz Band. Ze kregen een contract in de Harvard Inn, waar Al Capone de uitsmijter was. Tijdens een pauze ontstond er een schietpartij; Miff vond zijn trombone terug met een kogelgat in de beker.


Miff en Red Nichols
Miff Mole ontwikkelde zich tot een virtuoze trombonist met een prachtige toon en een totale instrumentbeheersing. Hij had goed muziek leren lezen, kon uitstekend improviseren en was daardoor overal inzetbaar. Iedere band wilde hem hebben. Hij trouwde toen hij twintig was, kreeg en dochter en was verknocht aan New York. Hij maakte er ontelbare plaatopnamen met onder andere de orkesten van Sam Lanin, Ross Gorman, Ray Miller, Roger Wolfe Kahn en Don Voorhees, toen toporkesten in Amerika. Zeer profijtelijk, zowel muzikaal als commercieel, was het partnerschap met kornettist Red Nichols. Ze maakten samen in verschillende formaties prachtige en voor die tijd zeer moderne studio-opnamen die de geschiedenis in zouden gaan als de New York jazzstijl, met in de hoofdrol Miff Mole, onnavolgbaar als topsolist. Red en Miff  waren als 'ham and eggs'. Collega trombonist Tommy Dorsey, niet de minste, noemde Miff de Babe Ruth van de trombone - Babe was in die tijd de beste honkballer van Amerika, spelend bij de New York Yankees.
Bij Chris Barber en Roy Williams, hedendaagse classic jazz trombonisten, bracht ik een paar jaar geleden Miff Mole ter sprake. Op mijn vraag of ze wel eens zijn solo's hadden uitgeprobeerd, kreeg ik als antwoord van Chris Barber: "I tried, but I simply cannot do it."
Miff noemde de trombone niet voor niets zijn 'rattle snake'.
Naast muzikaal ging het ook financieel heel goed. Miff verdiende bakken met geld, maar gaf het ook snel weer uit. Hij ging bijvoorbeeld de deur uit voor een schroevendraaier en kwam terug met een peperduur Pierce-Arrow automobiel.
In de dertiger en veertiger jaren bleef hij een veel gevraagde muzikant. Niet alleen in de jazz bij de orkesten van Paul Whiteman en Benny Goodman, maar ook bij het NBC Symphonic Orchestra, waar hij speelde als tweede trombonist. Wanneer de dirigent tijdens een repetitie niet tevreden was over de trombonesolo van de eerste trombonist in de Bolero van Ravel, nam Miff de partij vlekkeloos over.
Het succes maakte van hem geen prima donna, in tegendeel: Miff, bescheiden van karakter en met het uiterlijk van een dominee, zou anoniem de geschiedenis in zijn gegaan, ware het niet dat zijn legendarische trombonecapaciteiten dat hebben verhinderd. Toen in 1958 de film 'The Five Pennies' werd opgenomen met Danny Kaye in de rol van Red Nichols, werd Miff niet eens genoemd, laat staan dat hij te zien was. Het liet hem onberoerd.
In de jaren daarna vormde hij zijn eigen Dixieland Jazz Band en trad hij regelmatig op in clubs in New York en Chicago. Daarnaast besloot hij om trombonelessen te gaan geven. Hij kreeg over de vijftig leerlingen.

Toen ging het mis. Zijn gezondheid liet hem in de steek. Door een val met schaatsen in zijn jeugd, had hij problemen gekregen met zijn heup. Hij moest twee operaties ondergaan en kreeg een prothese. Het kwam niet goed. Hij liep met krukken en later met een stok. Zijn heupspieren waren niet sterk genoeg. Tot overmaat van ramp volgde een dubbele hernia en kreeg hij problemen met zijn maag en keel. Hij moest meerdere operaties ondergaan, acht in totaal en was niet verzekerd. Zijn financiële reserves smolten als sneeuw voor de zon. De trombone bleef een tiental jaren onbespeeld.

In 1960 werd het jaarlijkse Newport Jazz Festival georganiseerd. De organisatie, onder leiding van jazzpromotor George Wein, vroeg Miff Mole als gastsolist. Die voelde zich beter en had deelgenomen aan een fotosessie in Harlem, waar alle prominente New Yorkse jazzmuzikanten gezamenlijk op de foto gingen voor een reclamecampagne. Op het Newport Festival zou hij zondagavond optreden bij de band van trompettist Red Allen. Toen het contract was getekend, haalde Miff zijn trombone weer tevoorschijn, bouwde embouchure op en was klaar voor een comeback op het beroemde Newport Jazz Festival met uitzendingen op radio en televisie. Het festival duurde drie dagen en begon op donderdag in het Freebody Park. Op zaterdagavond kwamen er twaalfduizend bezoekers, waarvan sommigen teveel dronken. De boel liep uit de hand. Het concert werd afgelast. Opgeschoten jongelui gooiden met stenen en bierglazen. De politie gebruikte traangas. Om twee uur 's nachts veegde de Nationale Garde het park schoon.
Zondagmorgen om 09.00 uur kwam het Gemeentebestuur van Newport in spoedzitting bijeen. Men besloot het festival te beëindigen. Nog diezelfde morgen werd het festivalterrein opgeruimd. In de nog overgebleven perstent zat een man gebogen op een klapstoel, steunend op een wandelstok met naast zich een trombonekoffer. Het was de tweeënzestig jarige Miff Mole. Niemand schonk aandacht aan hem. Hij was gekleed zoals oudere mensen vaker deden: verschillende kledingstukken over elkaar.
Miff vroeg om een sigaret en widel de festivalleiding spreken. Een journalist, die Miff herkende, realiseerde zich dat Miff wellicht niet naar de radio of TV had geluisterd en daarom niet wist dat het festival was afgelast. Na veel heen- en weer gepraat, waarbij Miff  nog zei dat hij weken had geoefend en zijn lip in prima conditie was, werd hij begeleid naar de bushalte en keerde onverrichter zake terug naar New York, hevig teleurgesteld.

Enige tijd later zag een oud-leerling van hem dat hij op straat, in de buurt van Broadway, zakjes pretzels stond te verkopen. Dat werd overigens later, in mijn correspondentie met een neef van Miff, ten stelligste ontkend. Een fan van Miff, Jack Cristal, de vader van de latere TV komiek Billy Christal, besloot een benefietconcert voor hem te organiseren. Benny Goodman bood zich aan om een band formeren. Na wat uitstel werd de datum uiteindelijk bepaald op 22 mei.
Zover is het nooit gekomen.
Op 29 april 1961 kreeg Miff Mole een beroerte. De trombonist der trombonisten overleefde dat niet. Mister Perfection Himself overleed in zijn appartement op 250 West 88th Street, voordat medische hulp arriveerde. Vanwege een nog uitstaande schuld werd zijn trombone door de gemeente New York in beslag genomen. Na voldoening van de schuld door de familie, werd het instrument vrijgegeven. Het is niet bekend of een plan om later alsnog een benefiet concert voor zijn vrouw Alma te organiseren, is doorgegaan. Ik betwijfel het. Eén ding is zeker. Ook ik ben, tot op de dag van vandaag, niet in staat om zijn solo's foutloos na te spelen.

Bronnen: Lost Chords, Richard Sudhalter New York 1999. Down Beat, Bouquet to Miff Mole, 1951. Record Research, Richard Dupage 1961.The Great Jazz Day, Charles Graham New York, 1999. Correspondentie met Bob en Jackie Raynor, Roosevelt Long Island, 2013